De stad heeft z'n voordelen

Soms benijd ik de mensen in de grote steden. Ze hebben daar alles bij de hand, ze weten gewoon niet hoe gemakkelijk ze het hebben. Toen ik zelf nog in de stad woonde, wist ik dat ook niet. Ik bedacht de maaltijd en schreef de boodschappen op een briefje en dat werd het die dag. Op zaterdagmorgen ging ik vaak lang aan tafel zitten omringd door kookboeken, telkens denkend: ‘oh dat is leuk om te maken!’ en als ik dan uiteindelijk uit die overvloed gekozen had, ging ik boodschappen doen. Op de fiets. Na maximaal anderhalf uur terug. Met alles.

Tegenwoordig is dat wel anders. Wie buiten woont moet altijd bedenken of het zin heeft om voor de boodschappen naar de stad te gaan en dat doe je liever niet elke dag. Liefst eigenlijk maar één keer in de week. En dan nog liefster als er markt is, met een biologische groentekraam en de geitenkaasman met zijn geitenvlees en zo. Buiten, waar al die biologische groenten en die fantastische kazen geproduceerd worden, zijn ze niet te krijgen, tenzij je hoogstpersoonlijk de producenten langs gaat. Dat kan nogal veel tijd kosten, om van de beruchte voedselkilometers nog maar te zwijgen.

Dan zijn er ook altijd nog weer dingen die niet op de markt te verkrijgen zijn maar alleen in gespecialiseerde Spaanse, Italiaanse of Marokkaanse winkels, of alleen bij de Groene Weg-slager of alleen bij die ene kaaswinkel. Hoe lang wil je boodschappen doen? Hoe veel boodschappen ben je bereid naar je auto te zeulen vanuit verschillende delen van de stad?

Ik bedoel maar.

En vis is helemaal moeilijk – alleen op vrijdag en zaterdag en dan nog: de beste viskraam is niet overdreven geweldig gesorteerd.

Ik hoop dat iedereen die in een grote stad woont zich nu heel rijk en verwend voelt.

Op elk ander gebied is het buiten prima-de-luuks, maar als je een bosje koriander wilt na de dood van je eigen koriander (en die is om zo te zeggen al helemaal winterklaar) dan zit je mooi met de handen in het haar.

Genoeg geklaagd. Dit alles dient misschien om te verklaren waarom ik, toen ik laatst bij een enorme Jumbo-supermarkt was die beweerde de beste visafdeling van het land te hebben, daar toch maar eens ging kijken.

Ik sta erg argwanend tegenover vis in supermarkten en wat ik er zag nam de argwaan niet meteen weg. Dooie oogjes. Ingezakte flankjes. Nu ja: niet erg ingezakt en de oogjes hadden nog wel enige glans, maar ja. Vis moet vers zijn. De enige vis die er wel vers uitzag, en die ook een goede glanzend rode kleur vertoonde toen ik z’n kieuwdekseltjes oplichtte, was een dorade. Dus die maar gekocht. En de eenvoudigst denkbare visschotel mee gemaakt, die toch heel lekker was.

Kerf de dorades schuin in op het dikste gedeelte van de flanken, aan beide kanten. Wrijf de vis in met peper en zout. Duw de laurierblaadjes in de inkepingen.

Smeer een ovenschaal licht in met olijfolie. Snijd de citroen in plakjes. Leg 1 plakje in de buikholte van de vis en leg de andere erbovenop. Leg de trosjes tomaten naast de vis.

Wrijf de peterselie met wat zout en peper fijn in een vijzel en giet er olijfolie op. Roer goed door en giet wat van de groene olie over de vis en de tomaat.

Bak de vis in een op 200 graden voorverwarmde oven in 30 minuten gaar.