De illusie van de individuele vrijheid

Jonathan Franzen beschrijft in zijn roman Vrijheid het ongemak van grenzeloze vrijheid.

Deze gedachte is het uitgangspunt van een serie.

„Een skinny jeans? Nee, daar kan je echt niet meer mee aankomen.” Meelopen is niet cool; je moet anders, origineel en tegendraads zijn. Toch heeft de evolutie aangetoond dat het voor vele diersoorten buitengewoon gunstig is om in groepen samen te leven. Vissen zwemmen in grote scholen om niet opgegeten te worden; een antilope in zijn eentje maakt geen schijn van kans om ook maar één dag te overleven op de Afrikaanse savanne. Dat geldt ook voor de mens. Jagen, voedsel verzamelen en stemmen op Wilders; het voordeel van kuddegedrag staat onomstotelijk vast.

Het lijkt alleen alsof in onze wereld een omgekeerde regel van kracht is, oftewel: de illusie van het individualisme. We hebben iPads, éénpersoonsmaaltijden en happy-single-party’s. We zien belastingen en verzekeringspremies eerder als een last dan een bijdrage aan de samenleving waar we zelf onderdeel van uitmaken. Een voedselcrisis in Soedan? Erbarmelijke arbeidstoestanden in China? Daar heb ík toch zeker niks mee te maken? De kuddes zijn zo groot geworden dat we nauwelijks nog zien dat we er deel van uitmaken. Wat is het verband tussen onze persoonlijke schijnvrijheid en onze echte maatschappelijke verantwoordelijkheid?

De afgelopen millennia zijn we als mensen buitengewoon vaardig geworden in het reproduceren van onze eigen soort. Tegelijkertijd met die enorme populatiegroei zijn onze samenlevingsvormen vele malen complexer geworden. De overgang van de eenvoudige hiërarchie van een leven in stamverband naar een ingewikkelde democratische samenleving is haast niet te bij te benen. We hebben niet langer één duidelijke positie binnen een sociale structuur maar zijn tientallen pionnen tegelijkertijd: zo ben ik Nederlands staatsburger, student, verzekerde bij AGIS, klant van de Albert Heijn, westerling, in oorlog met het terrorisme en frequent consument van frambozen.

Deze overvloed aan posities is duizelingwekkend en maakt het aantal verantwoordelijkheden dat daarbij hoort ook oneindig groot. Tegelijkertijd voelen we ons ogenschijnlijk vrij. Vergelijk het met angst: als het gevaar zo groot is dat we het niet meer kunnen zien, ervaren we het niet meer als gevaar (daarom zijn er meer mensen bang voor spinnen dan voor de klimaatverandering, terwijl die laatste in potentie toch veel gevaarlijker is).

Bedrijven willen ons graag laten geloven dat we vrij en onafhankelijk zijn. Je kan zelf bepalen hoe je een nieuw paar Nikes wil vormgeven, wat je op je pizza wil en hoe je droombadkamer eruit moet zien. Toch zijn we meer met elkaar verbonden dan ooit. Er is niemand die weet hoe je een Nike-schoen moet maken; niemand die alle kennis beheerst over hoe je rubber uit bomen haalt, veters maakt, aardoliebronnen vindt, kleurstoffen maakt, schepen bouwt en kartonnen dozen perst. In onze technologische vooruitgang hebben we de taken verdeeld en maken we allemaal onderdeel uit van een wereldwijd brein: een machine waarin je als tandwiel alleen niets waard bent zonder de rest.

Het gevaar zit ’m in het feit dat we leven in de veronderstelling dat we onafhankelijk zijn en daarom ook liefst zo weinig mogelijk lastig gevallen worden door het systeem. Belastingen, premies en maatschappelijke verantwoordelijkheden zijn vervelende bromvliegen in ons heerlijke individuele leven. Publieke voorzieningen als wegen en water zijn even vanzelfsprekend geworden als een goedgevulde ijskast voor de gemiddelde puber. Precies deze vanzelfsprekendheid vormt een gevaar voor ons systeem. Een paar weken staking van de vuilnisophaaldienst in Amsterdam afgelopen zomer maakte deze verbondenheid pijnlijk duidelijk.

Het is belangrijk dat we investeren in onze publieke voorzieningen, maar hoe maken we dat inzichtelijk in ons labyrint aan sociale levenssferen? In eerste instantie moeten we af van het idee dat iedereen een juist en volledig beeld van de situatie moet hebben om te willen bijdragen. Het pijnlijke beeld van duizenden creperende, hongerende Afrikanen levert al jaren niet meer op dan een maandelijkse donatie; en ze creperen nog steeds. We veranderen ons gedrag veel sneller als het daadwerkelijk persoonlijk voordeel oplevert.

Een concreet voorbeeld: belastingen. Niemand staat met veel plezier zijn zuurverdiende geld af aan een instantie die zich laat voorstaan op het credo: „Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.” Natuurlijk doet de overheid tal van goede zaken met dat geld, maar de beeldvorming is vaak anders. Bodemloze ambtelijke putten zoals de bouw van musea en metrolijnen die jarenlange vertraging oplopen, geven ons het gevoel dat een donatie aan de schatkist ongunstiger is dan een aandeel in het failliete Enron.

Zou het niet veel leuker zijn als je van te voren zou kunnen aangeven waar jij waarde aan hecht in de publieke ruimte? Zodanig dat er op je bankafschrift niet gewoon staat ‘Belastingbijdrage’ maar bijvoorbeeld: ‘Bijdrage Sweelinckorkest’ of ‘Tien wachtenden minder op de wachtlijst van jeugdzorg’? Hetzelfde geldt voor ziektekosten; met jouw verzekeringspremie kan een chronisch zieke elke maand zijn medicijnen krijgen. Natuurlijk zijn deze voorbeelden niet tot op de cent nauwkeurig te berekenen maar volgens mij is het beeld belangrijker dan de totale waarheid.

Immers, als je leeft in de illusie dat je een onafhankelijk individu bent in deze maatschappij, pretendeer je ook dat je een bepaalde mate van vrijheid hebt; zowel emotioneel als maatschappelijk.

De hoofdpersonen van Franzens roman Vrijheid tonen helaas pijnlijk aan dat ook die vrijheid slechts een illusie is. Zo begint Patty Berglund, huisvrouw in welvaart en geslaagd ‘illusionair individualist’ haar autobiografie: „Waar kwam dat zelfmedelijden vandaan? In die buitensporige mate? Ze leidde volgens vrijwel iedere norm een luxueus bestaan. Ze had elke dag weer de hele dag om een manier van leven te verzinnen die haar bevrediging zou schenken, maar het enige waar haar vrijheid toe leek te leiden was een almaar schrijnender uitzichtloosheid.” Bij het lezen van deze zinnen rijst de vraag: wat blijft er van een individu over als je zijn omgeving wegneemt? In hoeverre zijn wij een projectie van alles en iedereen om ons heen? Wat is de functie van een wasknijper zonder was en waslijnen?

De waarheid en de vrijheid die we ervaren zijn volledig afhankelijk van het beeld dat we daar zelf aan toeschrijven. Een tweede voorbeeld hiervan in het boek van Franzen: Richard Katz, succesvol muziekproducent, wordt geïnterviewd over zijn visie en de maatschappelijke invloed van rockmuziek. Hij slaat de verwachtingen van de linkse journalist in een paar zinnen in duigen. (Zie het eerste citaat).

Zoals Apple ons de illusie voorhoudt dat het aankopen van hun product zou bijdragen aan een betere wereld, zo pretenderen andere bedrijven dat wij volledig onafhankelijk en vrij in onze keuze zijn. Die vrijheid bestaat niet; in onze persoonlijke contacten met vrienden en familieleden, noch in liefdes of op maatschappelijk niveau. Je kunt jezelf niet buiten je omgeving plaatsen want die omgeving bepaalt wie jij bent; hoe onvrij en onorigineel dat ook klinkt.

Franzen beschrijft in zijn boek op meesterlijke wijze hoe mensen persoonlijke drama’s zodanig kunnen uitvergroten dat de wereldproblematiek slechts een decor vormt waarin de hoofdpersonen zich genoeglijk kunnen wentelen in hun eigen kopzorgen. Onze welvaart heeft ervoor gezorgd dat we kunnen leven in zogenaamde vrijheid en onafhankelijkheid. De onlosmakelijke verbinding met de sociale structuren om ons heen kunnen we niet verwijderen uit ons leven; ze blijven ons achtervolgen omdat ze onze persoonlijkheden vormen. Maatschappelijke verantwoordelijkheden zijn daarentegen gemakkelijker te negeren. Wat de buren van je nieuwe auto vinden is immers van groter persoonlijk belang dan de publieke opinie jegens mensen die hun kauwgom op straat uitspugen. Toch?

Franzen en de torenhoge stapel vuilniszakken in Napels maken beide de realiteit pijnlijk duidelijk: vrijheid bestaat niet. Elke handeling, elke aankoop die je doet en elke zin die je als individu produceert heeft een effect op je omgeving. En evenzeer heeft de omgeving effect op jou.

Op de omslag van het boek van Franzen staat een vogel, misschien wel het meest gebruikte symbool voor vrijheid. Maar wat is daar nog van over? Volgens Franzen (zie tweede citaat) niet veel. Illusie-individualisten, ontwaak uit de droom. Je bent even alleen als een zandkorrel in de woestijn.

Emma Bruns is medewerker van nrc.next en studeert geneeskunde.

„Nee serieus. Genomineerd worden voor een Grammy was zo’n geweldige eer dat ik me verplicht voel iets terug te doen in dit verkiezingsjaar. Ik zie het als een voorrecht dat ik onderdeel heb mogen worden van de mainstream popmuziek, de kans heb gekregen om mijn eigen merk kauwgompjes (eendags-hitjes, red.) op de markt te brengen, en heb mogen meehelpen bij het overtuigen van veertienjarigen dat het uiterlijk en bedieningsgemak van Apple-producten een bewijs is dat Apple een betere wereld wil voor ons allemaal. (…) Om dat te begrijpen moet je het misschien ruimer zien en accepteren dat het bezitten van een iPod op zichzelf al de manier is om de wereld te verbeteren.”

„…waar hij wakker werd en honger had, onder een betrokken aprilhemel en in een van die biologisch dode landschappen waar Amerika zo rijk aan is geworden: megakerken met kunststof buitenmuurbekleding, de onvermijdelijke WalMart, weidse invoegstroken, auto’s als rijdende forten, nergens iets te zien wat aantrekkelijk zou zijn voor een vogel...”

Fragmenten uit Vrijheid van Jonathan Franzen. Vertaling Peter Abelsen, Uitgeverij Prometheus, 592 p., € 27.50

Jonathan Franzen werd in 1959 geboren in Chicago. In 2001 won hij de National Book Award voor zijn bestseller De Correcties. Franzen woont in New York.

    • Emma Bruns