Culturele sector is geen schoothond van de macht

P.F. Thomése vraagt zich in zijn artikel over de bezuinigingen op kunstsubsidies (Opinie & debat, 6 november) af wat ‘macht zonder beschaving, kunst zonder cultuur’ betekent.

Hij slaat de plank echter op een fundamenteel niveau mis. De kern van het betoog van Thomése bestaat uit de definitie van democratie als ‘vrijwillige dictatuur’, met andere woorden: de dictatuur van de meerderheid. Deze omschrijving is gangbaar, maar misleidend. Het wezen van een democratische rechtsstaat is namelijk het respect dat de meerderheid toont jegens minderheden. Iedere dictator zal zich immers legitimeren als de stem van de meerderheid. Een democratische meerderheid onderscheidt zich daarvan door het erkennen en incorporeren van de belangen van minderheden in haar samenleving.

Die constatering laat zien waar het betoog van Thomése ontspoort.

Kunst heeft, juist als instrument van de (democratische) macht, altijd het geluid van de ander naar voren geprobeerd te brengen. Het beeld van de culturele sector als ‘schoothondje van de macht’ is onterecht. Het protest tegen overheidsingrijpen in de kunsten was zelden zo groot als onder de PvdA-bewindspersonen d’Ancona (haar beleid was aanleiding voor de oprichting van Kunsten 92), Van der Ploeg (die als eerste inhoudelijke eisen stelde) en Plasterk (die de eigen inkomstennorm instelde).

De ware toets voor het democratisch gehalte van de huidige regering is daarom of zij, net als deze voorgangers, bereid is om dat oppositionele geluid de ruimte te blijven geven. Het probleem ligt niet bij de culturele sector, maar bij de politiek.

Edwin van Meerkerk

Universitair docent kunstbeleid, Radboud Universiteit Nijmegen