Te Hollands gebleven voor de wereldtop

Dick Maas stond met De Lift aan de wieg van de Nederlandse genrefilm. Hij werd groot. Ging ten onder. Nu is hij terug met Sint.

Scene uit de film Sint (2010) Foto: A-Film

rotterdam, 10 nov. - Horrorkomedie Sint past naadloos in het oeuvre van Dick Maas. Een vlotte genrefilm vol bloed, spektakel en slapstick. Scabreuze, gitzwarte humor ten koste van onze oer-Hollandse nestwarmte. Vakwerk.

Schrijver-regisseur-producent-componist Dick Maas (59) arriveerde in 1983 met een luide knal op het toneel. De Lift, waarin een experimentele biochip dood en verderft zaait in een flatgebouw, was een horrorfilm volgens het stramien van Jaws, met een lift als zoevende guillotine. Een exporteerbare Nederlandse genrefilm, dat was nieuw.

Maas viel op door zijn norse, hoekige optreden. Critici die hem een platvloerse parvenu vonden, kregen een opgestoken middelvinger. Seks, geweld en platte gein, dat verkoopt. En verder had Maas geen zin zijn werk „tegen allerlei eikels te verdedigen”, dank u.

Vleesgeworden no-nonsens: geen wonder dat de Filmacademie hem tweemaal afwees. Maas’ bestudeerde lompheid schuurde met een filmelite die inhoudelijke of esthetische pretentie eiste. Maar hij had de wind mee. In Frankrijk introduceerde begin jaren tachtig filmmaker Luc Besson ook zijn Cinema du look: stijl boven substantie, spektakel boven verhaal. Jonge filmmakers hoefden niet zonodig ‘auteur’ te zijn. Een echte Eurorebel nam Spielberg tot voorbeeld.

In 1983 begon de ondernemende Maas met partner Laurens Geels een eigen productiebedrijf: First Floor Features. In de jaren tachtig en negentig scoorden ze kaskrakers. Amsterdamned, een seriemoordenaarthriller met vliegende speedboten in de grachten van Amsterdam. En vooral Flodder, met 2,4 miljoen bezoekers een megahit die tot een driedelige ‘franchise’ en televisieserie leidde. Als producent timmerde Maas aan de weg met films als Abel, De Noorderlingen en Karakter. Maas en Geels dachten groot, gaven filmmakers miljoenenbudgetten om hun visie te realiseren. Dat leverde prachtige films op – Wings of Fame, Oh Boy – die niets opleverden. Maar dan vulde Flodder in Amerika de kas wel.

In de jaren negentig liep de motor vast. Maas en Geels hadden een enorme studio in Almere Buiten gebouwd: waarom geen Hollywoodproducties in de Flevopolder? Maar met de val van de Muur kwam concurrentie van spotgoedkope monstercomplexen van het oude Oostblok. En de hits droogden op. Maas en Geels bleven megaproducties aankondigen om uit arremoede in 1995 toch maar weer Flodder 3 te maken. Internationaal werd het niets. In Do No Disturb (1999) kon William Hurt een routineuze thriller niet vlot trekken. Down, Maas’ Amerikaanse remake van De Lift, ging in 2001 direct naar video. Even later ging zijn droomfabriek failliet in een baaierd van ruzie en financieel gerommel.

Probleem is dat Maas als filmmaker erg Hollands bleef, zijn humor is plaatsgebonden. Flodder, zijn meesterwerk, is een gooi-en-smijt komedie bevolkt door vaderlandse karikaturen en gepeperd met grove lol en oneliners („Buurman, wat doet u nu?”). Onweerstaanbaar voor ons, ongein over de grens. Mede daarom lukte Maas niet wat zijn even energieke Franse evenknie Luc Besson wel lukte: een filmfabriek oprichten die robuuste Eurokrakers van de lopende band laat rollen. Maar beide filmmakers sleurden hun nationale filmcultuur wel uit het getto van het filmhuis.

Het klinkt als de tekst voor zijn grafsteen: Dick Maas is terug. Treuriger en wijzer deed hij in 2007 in Moordwijven weer wat hij zo goed kan: lach-of-ik-schiet over de Gooise levenstijl. Die lijn zet hij voort in Sint, waarin hij grimlachend ons ‘symbool van goedheid’ perverteert. Beter een karper in de vijver dan een guppy in de oceaan.