Lesgeven in Afghanistan. Maar onder welke vlag?

Er is steun in de Kamer voor een politietrainingsmissie in Afghanistan. Maar op welke manier? De oppositie wil iets anders dan het kabinet.

A Afghan policemen simulate weapons orientation during a training session with US soldiers from 2nd PLT Diablos 552nd MIlitary Police Company, on the outskirts of Kandahar City, Afghanistan, Tuesday, Oct. 26, 2010. (AP Photo/Rodrigo Abd) AP

Wat houdt een politiemissie naar Afghanistan in? Dat is de vraag waarmee het nieuwe kabinet momenteel worstelt. Een kwestie die deze week extra lading kreeg door de hernieuwde dringende oproep van de Amerikaanse ambassadeur bij de NAVO, Ivo Daalder, aan Nederland een bijdrage te leveren. Een interventie die bij de linkse partijen verkeerd is gevallen.

Daalders openlijke lobby toont aan dat het kabinet meer wil dan alleen maar iets kunnen betekenen. Minstens zo belangrijk is het onder druk staande aanzien van Nederland bij de internationale bondgenoten. Tegelijkertijd is er dan ook nog de binnenlands politieke lakmoesproef: kan het minderheidskabinet Rutte regeren met wisselende meerderheden?

Vertrekpunt is een motie van GroenLinks en D66 uit april van dit jaar die werd aangenomen met de stemmen tegen van PvdA, SP, PVV en de Partij voor de Dieren. Hierin werd het demissionaire kabinet opgeroepen „de behoefte van civiele politietraining en -opleiding in Afghanistan in kaart te brengen” en de Tweede Kamer te informeren „hoe Nederland daarin mogelijk kan voorzien”. Er zou moeten worden aangesloten bij projecten van de Europese Unie.

Het politieke signaal van de motie was dat GroenLinks en D66 zich in de aanloop naar de vervroegde verkiezingen als verantwoordelijke potentiële regeringspartijen wilden opstellen.

Ook dit voorjaar speelde, net als nu, de vraag wat precies onder een politiemissie moest worden verstaan. Ging het puur om het leveren van opleiders voor bestaande politiescholen, of kon Nederland eventueel voldoen aan het verzoek van de NAVO om trainers te leveren? In een van tevoren afgesproken vraag-antwoordspel met GroenLinks-Kamerlid en indiener van de motie Mariko Peters rekte de VVD’er Atzo Nicolai de manoeuvreerruimte zoveel mogelijk op. Mocht de training als dat nodig zou zijn ook buiten het EU-kader plaatsvinden? Antwoord: ja. Zouden er geen beperkingen zijn ten aanzien van de beveiliging door militairen van de trainers? Antwoord: nee. Waren er geen beperkingen ten aanzien van waar en hoe er zou worden getraind? Nee.

Vandaar dat er tijdens de formatiebesprekingen een plan circuleerde voor een gecombineerde EU-NAVO-trainingsmissie van 500 à 700 man, inclusief militaire beveiligers. In een concreter voorstel van het ministerie van Defensie dat vorige week op tafel lag was sprake van maximaal 550 man, inclusief de eenheid die betrokken is bij de vier F-16 gevechtsvliegtuigen die ook nu nog in Afghanistan zijn gestationeerd. In alle tot nu toe gepresenteerde voorstellen zit ook een NAVO-component. Hier begint de aarzeling van GroenLinks. De partij wil bijdragen aan een civiele missie en niet aan een militaire. Dus niet meedoen aan opleidingen die maar enigszins een militair karakter dragen, ook al gaat het om agenten. Het kabinet redeneert dat het onderscheid niet zo duidelijk is aan te brengen.

Maar wil het kabinet iets kunnen doen, dan is steun van de oppositie nodig. Van gedoogpartner PVV is op dit terrein niets te verwachten. Premier Mark Rutte en minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal zijn persoonlijk betrokken bij het bewerken van de oppositie. Daarbij richten zij zich allereerst op GroenLinks en D66, de indieners van de motie die hebben afgesproken zich niet uit elkaar te laten spelen. Het kabinet weet dat het uitzicht op het verkrijgen van een Kamermeerderheid groter wordt naarmate het EU-karakter van de missie toeneemt. Zover is het nu nog lang niet. Vandaar dat bij direct betrokkenen in zowel de coalitie als de oppositie de kans van slagen klein wordt geacht. Aan de andere kant is de keuze voor het kabinet duidelijk: het is iets of niets.