Islamofoob wil niemand zijn

Islamofoob lijkt te veel op xenofoob, dat wil je niet. Maar 35 jaar geleden wilde je geen anticommunist zijn, zegt Meindert Fennema.

Rob Riemen, directeur van de Tilburgse denktank Nexus, heeft het essay De eeuwige terugkeer van het fascisme geschreven, waarin hij hedendaagse bewegingen die zich keren tegen immigratie en de islam typeert als fascistisch. Het is geen nieuwe gedachte dat Wilders een fascist is, maar het verklaart wél waarom de internationale Nexus-conferentie van morgen ‘The Return of the Ghosts’ als titel heeft. Een van de sprekers is Mario Vargas Llosa.

Jaren geleden typeerde Ed van Thijn islamofobie als het nieuwe antisemitisme. Islamofobie is volgens Wikipedia ‘een neologisme dat gebruikt wordt om overtrokken angst voor de islam te benoemen’. Islamofoob wil je niet wezen. Dat lijkt te veel op xenofoob. Het lijkt ook op een ziekte, die je niet gemakkelijk kwijtraakt.

Het begrip islamofobie is te vergelijken met het begrip anticommunisme zoals dat 35 jaar geleden in linkse kringen werd gehanteerd. Zogenoemde anticommunisten hadden destijds veelal dezelfde oordelen over het communisme als Geert Wilders over de islam. Zij beschouwden het communisme als een agressieve ideologie, als ‘het geloof der kameraden’ (Karel van het Reve). Zij geloofden niet dat het communisme zich van binnenuit zou kunnen hervormen: een ‘gematigd communisme’ bestond in hun ogen niet. Zij zagen de Sovjet-Unie als een barbaars regime dat steun gaf aan gewelddadige guerrillabewegingen. Zij beschouwden de communisten in het vrije Westen als een vijfde colonne die te vuur en te zwaard moest worden bestreden.

Ook als je geen communist was, werd je als progressieve intellectueel niet graag bestempeld als anticommunist. Het was toen net zo’n giftig etiket als islamofoob nu. Als anticommunist werd je geassocieerd met de vijanden van de vrijheid: Pinochet in Chili, Videla in Argentinië, de Ku Klux Klan in de VS en het Apartheidsregime in Zuid-Afrika. Daar wilde je niet bijhoren. Alleen Jacques de Kadt, Arnold Heertje en de gebroeders Van het Reve vonden het een eretitel.

In mijn jonge jaren bewoog ik mij soms in kringen van progressieve hispanisten. De grote schrijvers van de moderne Latijns-Amerikaanse literatuur waren, vonden wij, Pablo Neruda (Canto General), Gabriel García Márquez (Honderd jaar eenzaamheid) en Alejo Carpentier (De guillotine op de voorsteven). Toevallig allemaal vrienden van Fidel Castro. Pablo Neruda kreeg in 1971 de Nobelprijs voor de literatuur, García Márquez kreeg die in 1982.

Over Jorge Luis Borges (De bibliotheek van Babel) spraken we niet. Hij steunde het Videla-regime. Daarom vonden wij hem ‘hermetisch’. Alleen ‘anticommunisten’ bewonderden Borges openlijk.

Mario Vargas Llosa (Het groene huis; Gesprek in de kathedraal) was destijds een andere haar in de literaire soep. Hij had zich in 1971 uitgesproken tegen de schendingen van de mensenrechten op Cuba en was daardoor toegetreden tot het kamp van de ‘anticommunisten’. In onze kringen werd hij gedegradeerd tot een ‘middelmatige, journalistieke schrijver’.

Pas toen het niet meer een bron van schaamte was om anticommunist te zijn, werd het mogelijk om Mario Vargas Llosa op waarde te schatten. Hij heeft onlangs de Nobelprijs gekregen. Ik ben benieuwd wat hij morgen in Tilburg zal zeggen over islamofobie.

Meindert Fennema is politicoloog. Hij schreef een biografie van Wilders (Tovenaarsleerling).