Indonesië te verlegen voor rol op het wereldtoneel

Indonesië kan volgens Barack Obama een sleutelrol in de wereld krijgen. Het land zelf is nog lang niet zover. Javanen zijn nog te bescheiden voor de internationale politiek.

US President Barack Obama (C) and First Lady Michelle Obama (R) are barefoot as they are led on a tour by Grand Imam Yaqub at the Istiqlal Mosque in Jakarta on November 10, 2010. The much-anticipated visit to the Istiqlal Mosque and speech at the University of Indonesia were the last stops on Obama's twice-postponed visit to Indonesia. AFP PHOTO/Jim WATSON AFP

Barack Obama kreeg tijdens zijn toespraak in Indonesië vanochtend het meeste applaus als hij Indonesisch sprak. Tenslotte kwam de Amerikaanse president pulang kampung, zoals hij het zei: terug naar zijn kampong. Het land waar hij als kind vier jaar doorbracht, verwelkomde hem tijdens een staatsdiner met zijn favoriete gerechten van vroeger: nasi goreng en gehaktballensoep bakso.

Maar Obama kwam niet uit nostalgie. Indonesië wordt steeds belangrijker in de wereld. De president noemde het land (motto: ‘Eenheid in diversiteit’) een voorbeeld voor de wereld, dat een belangrijke rol zal spelen in de 21ste eeuw. Als land met de meeste moslims is het een voorbeeld hoe islam, democratie en godsdienstvrijheid kunnen samengaan. Indonesië kan volgens hem „een sleutelrol spelen in Zuid-Oost Azië en de wereldeconomie”.

Van een sleutelrol is tot nu toe weinig te merken. Hoewel Indonesië naar inwonertal het vierde land ter wereld is – een feit waar Indonesiërs zelf soms verbaasd over zijn – doet het nauwelijks mee op het wereldtoneel. Kleinere opkomende landen als Brazilië, Turkije of Zuid-Afrika laten meer van zich horen. „Ondanks onze strategische ligging worden we over het hoofd gezien door de grootmachten”, zegt Hariyadi Wirawan, hoofd van de afdeling internationale betrekkingen bij Universitas Indonesia.

Het is wel eens anders geweest. In stoffige diorama’s die Indonesische musea gebruiken om de nationale geschiedenis uit te beelden, ontbreekt nooit de Azië-Afrika- conferentie van 1955. In de stad Bandung in West-Java kwamen toen 29, veelal net onafhankelijke ontwikkelingslanden bijeen. De Indonesische president Soekarno gaf samen met de leiders van Egypte, India en Joegoslavië de aanzet tot de Organisatie van Niet-gebonden Landen. Zij spraken zich uit voor samenwerking onderling en tegen ‘neo-imperialisme’ door de grote machtsblokken uit de Koude Oorlog.

Die voortrekkersrol verdween onder president Soeharto, die een meer naar binnen gekeerde politiek voerde en Indonesië tot een dictatuur maakte.

„We werden geprezen om onze economie, maar politiek werden we gezien als totalitair”, zegt de vorige minister van Buitenlandse Zaken Hassan Wirajuda.

Nadat Soeharto in 1998 aftrad en Indonesië een democratie werd, worstelde het tot 2004 nog met etnische en religieuze conflicten in delen van het land.

Zes jaar later heeft Indonesië haar plaats in de wereldpolitiek niet opgeëist. Wellicht mede doordat president Susilo Bambang Yudhoyono een bescheiden Javaan is, zegt Wirajuda. „Indonesië maakt niet goed reclame voor zichzelf. Javanen in het bijzonder zijn een beetje te verlegen om te laten zien hoe succesvol ze zijn.”

Het komt ook doordat Indonesië voor zichzelf geen rol ziet als luide schreeuwer. Het is een allemansvriend. Het land wil een brugfunctie hebben, optreden als bemiddelaar. Tussen het Westen en de islamitische wereld, tussen moslims onderling en bij interne conflicten in de eigen regio.

Alleen lukt dat nog niet zo best. Indonesië heeft zichzelf meerdere malen opgeworpen als bemiddelaar in het Midden-Oostenconflict, maar niemand zit daarop te wachten. Een poging tot het organiseren van een conferentie van leiders van de Palestijnse organisaties Hamas en Fatah liep drie jaar geleden op niets uit. Net als een conferentie tussen sunnieten en shi’ieten die moest helpen om het geweld in Irak op te lossen, maar waar Irakese leiders niet kwamen opdagen.

Veel andere islamitische landen zien het grootste moslimland ter wereld ook niet als geloofwaardige vertegenwoordiger. „Het Westen denkt dat wij de perfecte brug zijn naar conservatievere islamitische landen”, zegt Hariyadi Wirawan. „Maar vanuit die landen zelf wordt het niet zo rooskleurig bezien. Zij vinden ons te liberaal, niet islamitisch genoeg en te dichtbij het Westen.”

Ook in de eigen regio wordt Indonesische hulp niet op waarde geschat. Omdat het land in 2005 een jarenlange burgeroorlog in de provincie Atjeh beëindigde, denkt het genoeg ervaring te hebben om te helpen bij soortgelijke conflicten in Zuid-Thailand en op het Filippijnse eiland Mindanao. Maar volgens Wirawan weet Indonesië niet goed hoe het dit soort onderhandelingen moet aanpakken.

Hij geeft als voorbeeld een ontmoeting die het land in 2008 organiseerde in Bogor, tussen afgevaardigden van het Thaise leger en van islamitische rebellengroepen uit het zuiden van Thailand. De regering bleek de verkeerde ‘rebellen’ te hebben uitgenodigd: zij hadden niet of nauwelijks te maken met het geweld. De complimenten van Obama zullen het zelfvertrouwen ongetwijfeld goed doen. Indonesië is lid van de G20 en behoort tot de groep opkomende economieën met Brazilië, Rusland, en China. Nu moet het ontdekken hoe het die nieuwe macht kan gebruiken.

    • Elske Schouten