Dit doen we goed

Aan de hand van onderlinge citaten construeert Scival Spotlight van Elsevier onderzoeksclusters.

Zo kun je zien waarin welk land precies goed is.

Misschien weten de hoogleraren Piersma, Slob (beiden RIVM) en Savenije (TU Delft) het nog niet, maar zij en nog een heel stel andere onderzoekers dragen met hun activiteiten bij aan een onderzoeksgebied dat een van de wetenschappelijke speerpunten van Nederland is. Toch is het een onderzoeksgebied waar geen leerstoel voor bestaat, dat verspreid ligt over toxicologie, sociologie, aardwetenschappen, farmacologie en de studie van beroepsrisico’s. Gemeenschappelijke thema’s zijn lichaamsgewicht, gezondheidszorg en voedingspatroon. Het gebied bestaat dankzij het feit dat de onderzoekers een elkaar citerende, interdisciplinaire gemeenschap vormen. Blijkbaar profiteren ze van elkaars inzichten. En dat doen ze goed, want ze namen in dit gebied bijna 16 procent van de wereldproductie in de periode 2004-2009 voor hun rekening: 159 van de 1.018 wetenschappelijke artikelen die in de gehele wereld op dit terrein werden geschreven.

Dat kom je te weten als je Scival Spotlight opstart, een onlineproduct van Elsevier waarvan eergisteren een landenmodule op de markt kwam. Het is een loot aan de bibliometrische stam, de hulpwetenschap die de mondiale wetenschappelijke productiviteit poogt te meten. Basismateriaal is Scopus, een database van 45 miljoen wetenschappelijke artikelen.

Scival is een kistje met meetgereedschap voor iedereen die wil weten waar de kracht van een instituut of universiteit ligt en welke onderzoekers excelleren. Met de nieuwe landenmodule, ‘Country Maps’, worden allerlei metingen op nationaal niveau mogelijk. Zo leren we dat in de afgelopen vijf jaar onderzoekers in dienst van Nederlandse instellingen ruim 178.000 artikelen produceerden: ruim 2,2 procent van de wereldproductie van bijna 8 miljoen artikelen. Niet gek als je bedenkt dat de Nederlanders slechts 2 promille van de wereldbevolking vormen. In Groot-Brittannië wonen ongeveer 3,7 keer zoveel mensen, maar uit de Scival-database blijkt dat ze maar 3,4 keer zoveel artikelen produceren. En er zijn 18,7 keer zoveel Amerikanen, maar ze produceren maar 12,9 keer zoveel artikelen. Dat is wel meteen bijna 30 procent van de wereldproductie.

Het interessantste aan Scival Spotlight zijn de clusters van verwante onderzoeksgebieden die ermee kunnen worden geconstrueerd. „Moderne wetenschapsbeoefening houdt zich steeds minder aan de gebruikelijke indeling in disciplines”, zegt Michiel Kolman, senior vice president global academic relations bij Elsevier. „Daarom richten wij ons op die multidisciplinaire clusters.”

Een cluster heet binnen Scival een competentie als de productie in artikelen binnen dat gebied een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. Per land of instituut kan worden bepaald of dat zich op bepaalde clusters onderscheidt. Het moet dan binnen dat cluster een aanzienlijk marktaandeel hebben, de publicaties moeten vaak geciteerd worden en de citaties in de artikelen zelf moeten betrekking hebben op recente publicaties – een aanwijzing voor innovatieve kracht.

Met die criteria komt Scival voor Nederland tot 97 competenties, onderzoeksgebieden waar dit land het goed doet. Veel is biomedisch: heel goed scoort een cluster met trefwoorden ziekteverlof, chronische pijn en pijnintensiteit. Aan Nederlandse instellingen verbonden onderzoekers publiceerden meer dan 18 procent van de wereldproductie in dit cluster.

Ook doet Nederland het heel goed in een cluster met trefwoorden vliegtuiglawaai en geluidshinder. Ruim 13 procent van de wetenschappelijke wereldproductie op dit gebied komt uit Nederland en prof. Frewer van Wageningen Universiteit is met 14 publicaties de topauteur. Of neem het cluster palliatieve zorg, euthanasie en stervensbegeleiding: 18 procent.

Er zijn ook andere instrumenten op de markt, zoals Web of Science van concurrent Thomson Reuters. Maar daarmee kunnen niet dit type clusteranalyses worden uitgevoerd, zegt Kolman. Bovendien bevat Scival Spotlight circa 18.000 tijdschriften en Web of Science maar zo’n 10.000.