De Arabieren maken zich geen illusies

In Jordanië vonden gisteren verkiezingen plaats, maar de oppositie maakt geen kans.

In de hele Arabische wereld hebben regimes gezorgd dat verrassingen uitgesloten zijn.

Vijf, zes jaar geleden konden verkiezingen in het Midden-Oosten nog wel eens een verrassing opleveren. De Egyptische Moslimbroederschap slaagde er in 2005 in eenvijfde van de zetels te veroveren in het Egyptische Lagerhuis. Hamas behaalde een verpletterende overwinning in de Palestijnse verkiezingen in januari 2006. Maar de meeste regimes hebben nu zeker gesteld dat er in het Midden-Oosten, buiten Turkije en Israël, op verkiezingsgebied niet veel meer te beleven is.

De Iraanse burgers hadden vorig jaar nog de illusie dat ze wél wat te kiezen hadden: tegenover een conservatieve presidentskandidaat stonden twee hervormers. Maar de betwiste uitslag onderstreepte dat het daar ook afgelopen is met verrassingen: een nieuwe termijn voor president Ahmadinejad en onderdrukking van elke vorm van oppositie.

Inmiddels maakt niemand zich meer illusies, of het nu gaat om de verkiezingen van gisteren in Jordanië, eind deze maand in Egypte of komend voorjaar in Jemen. Westerse landen hamerden na de aanslagen van elf september op de noodzaak van democratische hervormingen en vrije verkiezingen in de regio. Die zouden de voedingsbodem voor extremisme wegnemen. Maar ze schrokken vervolgens van de opmars van fundamentalistische partijen.

Er is dan ook van westerse kant nauwelijks of geen commentaar te horen op de methodes die nu worden gehanteerd om oppositie uit te sluiten. Ook zeggen ze niets over de onmacht van de gekozen volksvertegenwoordiging als er wél redelijk vrije verkiezingen worden gehouden.

Op het eerste gezicht is er niets mis met de Jordaanse parlementsverkiezingen. Er zijn 763 kandidaten, van wie 134 vrouwen, voor 120 zetels. En onafhankelijke waarnemers, ook buitenlandse, zijn welkom.

Maar de grenzen van de kiesdistricten zijn eerder dit jaar zo aangepast dat een stem op het gezagsgetrouwe, tribale platteland vele malen meer gewicht heeft dan een stem in de stad, waar fundamentalistische oppositiepartijen hun aanhang hebben. Het is de belangrijkste reden waarom de grootste oppositiepartij, het Islamitisch Actiefront (IAF), de verkiezingen boycot. Het resultaat is dat op een enkeling na alle kandidaten aanhangers van de monarchie zijn. Jordanië heeft zich dubbel ingedekt tegen hinder van oppositiebewegingen. Want de koning kan het parlement hoe dan ook naar huis sturen, zoals hij een jaar geleden nog deed.

De Egyptische regering heeft openlijk alles uit de kast gehaald om te voorkomen dat de Moslimbroederschap, de enige oppositiepartij die in zekere mate een vuist kan maken, straks weer zo ruim in het parlement vertegenwoordigd zal zijn. Moslimbroeders worden om de haverklap opgepakt en vastgezet. De Broederschap is in een soapserie op de televisie belachelijk gemaakt. Satellietzenders die tot haar steunpilaren worden gerekend, zijn verboden omdat ze pornografie zouden verspreiden en religie zouden beledigen.

Sms-bombardementen, een effectief wapen van de Moslimbroederschap in 2005, mogen nu alleen worden gebruikt door geregistreerde politieke partijen. Dat wil zeggen: wél de partij van president Mubarak, maar niet de Broederschap, die als religieuze partij ongrondwettig is. Moslimbroeders kunnen alleen als onafhankelijke kandidaten aan verkiezingen deelnemen, als hun kandidatuur al wordt geaccepteerd.

Waar die maatregelen niet voldoende zijn, zullen kiezers weer worden geïntimideerd en zal er worden geknoeid met de uitslagen, zeggen plaatselijke analisten. Er worden geen buitenlandse verkiezingswaarnemers toegelaten.

Mohamed ElBaradei, de na zijn pensioen teruggekeerde directeur van het internationaal atoomagentschap die voor hervormingen ijvert, heeft daarom tot een boycot opgeroepen. Maar zoals de verkiezingen voor de regering een middel zijn om haar macht te tonen, zijn ze dat voor de oppositie om zich te laten zien.

De verkiezingen in Bahrein, een Golfstaatje met een shi’itische meerderheid en een sunnitisch regime, volgden vorige maand weer een ander model. Weliswaar werden shi’itische oppositiepolitici vooraf als terroristen weggezet en waren ze doelwit van arrestaties en andere intimidatie. Maar de verkiezingen zelf verliepen ordelijk en de oppositie veroverde 18 van de 40 zetels. Washington constateerde dat „Bahrein heeft aangetoond dat multi-etnische, multiconfessionele maatschappijen hun problemen kunnen aanpakken door middel van vreedzame hervorming”. Alleen heeft het gekozen Lagerhuis geen macht, in tegenstelling tot het door de koning benoemde Hogerhuis.

De door Hamas’ concurrent Fatah gedomineerde Palestijnse Autoriteit heeft het probleem opgelost door in strijd met de wet verkiezingen voor onbepaalde termijn uit te stellen.

Maar kende het nieuwe Irak in maart dan geen vrije verkiezingen? Zeker, en de nipte overwinning van de seculiere beweging van ex-premier Allawi op de shi’itische partij van premier Maliki was daarvan het beste bewijs. Maar na de verkiezingen werd dat wel anders. Maliki trok zich niets aan van het grondwettelijke voorschrift dat de leider van de grootste partij als premierskandidaat wordt aangewezen. Hij slaagde er vorige maand in zichzelf als premier in spe benoemd te krijgen. Acht maanden na de verkiezingen wordt nog steeds onderhandeld over een nieuwe coalitie onder zijn leiding, maar de formatie zou nu in haar laatste fase zijn.

    • Carolien Roelants