Trots op mecenaat

Ze zijn er wél. Mecenassen. Weldoeners die belangeloos financieel de kunsten ondersteunen.

Vermogende Nederlanders bekostigen de aanschaf van een kostbaar muziekinstrument en geven het in bruikleen aan een getalenteerde musicus. Ze schenken een museum jaarlijks een kapitaal voor de verwerving van kunstwerken. Ze ondersteunen een bijzondere tentoonstelling, een muziekfestival, een jeugdorkest. Ze onderhouden een familiefonds ten behoeve van de poëzie of helpen initiatieven in de theaterwereld. Ze treden toe tot zogeheten ‘geefkringen’ waar geselecteerde leden in ruil voor hun bijdrage hun netwerk kunnen uitbreiden. Ze willen ‘wat terugdoen’ voor de maatschappij. Daarbij varieert hun oogmerk van het delen van de liefde voor ‘hun’ kunst tot de hoop bij te dragen aan het behoud van cultureel erfgoed voor volgende generaties.

Nu het kabinet verregaande bezuinigingen op de kunstsubsidies op de rol heeft gezet, is er veelvuldig naar hen verwezen. De kunsten zouden veel meer hun heil moeten zoeken bij de mecenassen. De kunsten antwoorden dat ze dat allang hebben gedaan. Dat die geldpompers moeilijk te vinden zijn en sowieso niet staan te dringen. Beide partijen zullen zich moeten realiseren dat het hún taak is om particuliere weldoeners het geven überhaupt mogelijk te maken. Een visie van het kabinet op het mecenaat is onmisbaar, en ook het besef dat zoiets tijd moet krijgen om zich te ontwikkelen.

Het belastingvoordeel voor gulle gevers kan worden uitgebreid en nadrukkelijk onder de aandacht gebracht. Verder kan een regering die verwijst naar meer particuliere ondersteuning voor cultuur, niet botweg schrappen in subsidies. Zonder solide financiële basis is een kunstinstelling haar leven niet zeker. Dan wordt een schenking goed geld naar kwaad geld gooien en daar begint niemand aan.

De kunsten zullen op hun beurt hun koudwatervrees moeten laten varen. Particuliere gevers willen meestal blijk geven van hun persoonlijke band met het museum of orkest of wat dan ook, dat ze helpen te bloeien. Maar belangstelling is niet per definitie bemoeizucht, zo leren de instellingen die met succes met hen werken. In dat licht is het smeden van een hechte band van belang. Zo leidt het Museum of Modern Art in New York met een betrekkelijk laag entreetarief vermogende geïnteresseerden in mecenaatsclubs op tot kunstliefhebbers. Van hen wordt uiteraard vermoed dat ze in de toekomst veel meer zullen geven.

Ook de nu al actieve mecenassen hebben een taak. Hun bescheidenheid is hun grootste gemene deler. Ze geven bij voorkeur in de schaduw en praten er terughoudend over. Ze vinden hun gulheid niet meer dan logisch, zeggen ze. Ze zijn beducht voor gepraal, misschien bevreesd voor bedelbrieven. Ze hebben vast goede redenen. Maar afgezien van en in dank voor hun generositeit hebben de kunsten nóg iets van ze nodig: hun openhartigheid. Als de mecenassen ruchtbaarheid geven aan hun steun voor en trots op het moois dat ze voor elkaar krijgen, trekken ze allicht anderen over de streep.