Overheid faalt bij kinderopvang

De kunstmatig opgestuwde vraag voor kinderopvang is de oorzaak van de lange wachtlijsten. De overheid faalt, stellen Lucy Kok en Barbara Baarsma.

‘De crèche wordt duurder en slechter’, kopte deze krant onlangs (NRC Handelsblad, 30 oktober). Dat is de schuld van marktwerking, was de stellige conclusie. Zoals zo vaak in de discussie over marktwerking, wordt ook hier te snel de beschuldigende vinger uitgestoken.

Hoe zit de vork in de steel? In 2005 heeft de overheid de aanbodsturing omgebouwd naar vraagsturing: niet meer de aanbieders van kinderopvang kregen subsidie, maar de ouders. Die laatsten konden nu met de voeten stemmen. Tegelijkertijd is de prijs die ouders betalen gehalveerd.

Door deze subsidiëring is de vraag naar kinderopvang sterk toegenomen. Ook het aanbod is sterk toegenomen: voor kinderen tot 4 jaar met ongeveer de helft en voor kinderen van 4-12 jaar met ongeveer 150 procent. Maar dat was toch niet genoeg om de toename van de vraag op te vangen. Het resultaat: ellenlange wachtlijsten.

Op een markt met door subsidie aangewakkerde wachtlijsten hebben ouders echter niet zoveel te kiezen: de tuchtigende werking die van vraagsturing had moeten uitgaan, werkt dan niet. Dat wordt nog eens versterkt doordat ouders onvoldoende zicht hebben op de kwaliteit. De concurrentie betreft alleen voor ouders waarneembare zaken zoals buitenschoolse opvang, binnen- en buitenruimtes, kleinschaligheid en langere openingstijden. Maar wat betreft pedagogische en zorgkwaliteit blijft het toch gissen.

Dat is ook de reden waarom de overheid minimale kwaliteitseisen heeft gesteld. Handhaving daarvan is nog belangrijker nu de markt zo overvraagd is. Aanbieders hebben anders de mogelijkheid om op moeilijk zichtbare kwaliteit te bezuinigen. In de praktijk is dat ook gebeurd: de groepsgrootte en de werkdruk zijn toegenomen. Helaas blijkt dat de overheid haar handhavende taak niet serieus genoeg neemt.

Essentieel is te komen tot extra opvangcapaciteit om de wachtlijsten weg te werken. Dat lukt maar niet. Kinderopvanginstellingen investeren te weinig in nieuwe locaties of uitbreiding van bestaande. Dat komt vooral doordat er te weinig locaties zijn die door gemeenten worden goedgekeurd voor kinderopvang. Bovendien zijn aanbieders terughoudend met investeren. Hun business case valt of staat bij overheidsfinanciering voor ouders. Als de overheidsbijdrage omlaaggaat, en dus de prijs voor ouders omhoog, dan daalt de vraag naar kinderopvang. De overheid toont zich hier geen betrouwbare partner en die onzekerheid is funest voor de investeringsbereidheid van aanbieders.

Kortom, marktwerking is niet debet aan de kwaliteitsproblemen in de kinderopvang. De problemen liggen veeleer bij de overheid. De remedie is daarom niet het afschaffen van de marktwerking, maar juist de markt beter laten werken. Hoe zou dat kunnen?

Het voornemen van het kabinet om de overheidsbijdrage te verlagen is een stap in de goede richting. Dit zal de vraag naar kinderopvang doen dalen, waardoor de wachtlijsten verdwijnen. Is dat erg? Nee. De toename van het gebruik van formele kinderopvang heeft niet geleid tot een evenredige toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen. Het grootste deel van de toename van de vraag kwam doordat vrouwen de informele opvang inruilden voor formele opvang.

Beter nog zou het zijn als de overheid zich helemaal niet zou bemoeien met subsidiëring van de vraag naar kinderopvang. Om meer vrouwen aan het werk te krijgen, is het verhogen van de aanvullende combinatiekorting effectiever. Dat is een extra belastingkorting voor de minstverdienende partner in een gezin met kinderen onder de 12 jaar. De maatregel verhoogt zo het nettoloon van vrouwen. Werkende ouders krijgen dan de keuze deze ruimte te besteden aan formele of aan informele kinderopvang.

De met overheidsfinanciering kunstmatig opgestuwde vraag ligt aan de wortel van de kwaliteitsproblemen in de kinderopvang ligt. Verder zijn die problemen het resultaat van inadequaat toezicht door gemeenten, vertragende gemeentelijke procedures bij het toekennen van locaties en een zwabberend toeslagenbeleid. Economen noemen dat overheidsfalen.

Barbara Baarsma en Lucy Kok zijn respectievelijk directeur en hoofd cluster Zorg en zekerheid bij SEO Economisch Onderzoek.