Nieuwkomer uit de woestijn

Het Saoedische chemieconcern Sabic heeft zich stilletjes in de wereldtop genesteld. De concurrentie is jaloers op zijn goedkope olie.

Wie had gedacht dat zich in een woestijnstaat gelijksoortige problemen kunnen voordoen als in de lagune van Venetië? Maar te veel zand op een bouwplaats kan ook vervelend zijn, vooral als het zout water aanzuigt, zoals aan de Golfkust van Saoedi-Arabië. Dat heeft de bouwmeester van de koning er echter niet van weerhouden juist daar een gigantische chemiestad uit de grond te stampen. Laboratoria, de productie-eenheden, reusachtige rood-wit-gestreepte schoorstenen en schier eindeloze pijpleidingen – zij staan allemaal in Jubail, maar dan op stelten, in het zoute slik van de laagvlakte.

Het is nu 35 jaar geleden dat de heerser van het land, destijds nog koning Khaled, zich begon te ergeren aan de verspilling op zijn olievelden, en aan de stank. In die tijd werd het uit de boorgaten wegstromende aardgas namelijk nog eenvoudigweg afgefakkeld. Hij dacht na over wat je uit dat aardgas zou kunnen produceren – en liet plannen maken voor kunststof- en kunstmestfabrieken naast de oliebronnen.

In het buitenland werden deze plannen aanvankelijk niet heel serieus genomen. Lange tijd hadden de managers van de in 1976 opgerichte Saudi Basic Industries Corporation (Sabic) de grootste moeite om in het Westen joint-venture-partners te vinden. En de bedoeïenentent, die een paar jaar geleden op de wereldkunststofbeurs bezoekers naar de Saoedische stand moest lokken, zag de branche veeleer als een curiositeit.

Dat moet intussen wel veranderd zijn: op de internationale kunststofbeurs K, onlangs in Düsseldorf, was de stand van Sabic een van de grootste. Volgens veel deskundigen is het slechts een kwestie van tijd voordat de razendsnel groeiende onderneming ook qua omzet de concurrentie zal hebben ingehaald: de chemieconcerns Dow en ExxonMobil uit de Verenigde Staten, en ook de huidige marktleider, het Duitse BASF.

Op de aandelenbeurs staat Sabic nu al aan de top: beleggers waarderen het concern momenteel op 307,5 miljard Saoedische riyads (59,2 miljard euro), méér dan alle andere uit deze bedrijfstak. Wat daar wellicht mee samenhangt, is dat Sabic zelfs in het crisisjaar 2009 met een winst van 2,4 miljard dollar (1,7 miljard euro) winstgevender was dan branchegenoten.

Passend bij deze cijfers is het chique hoofdkantoor in de Saoedische hoofdstad Riad. Gelegen in de buurt van de internationale luchthaven steekt de dubbele wolkenkrabber van Sabic als een triomfboog boven alles uit. Binnen: fraai zwart marmer en fonkelend licht. „Maatwerk uit Duitsland”, zegt de man die de bezoekster in de lobby ophaalt, wijzend op het plafond. Aan de koepel hangt een kroonluchter, die met een doorsnede van vier meter groter is dan alles wat je ooit in de foyer van een Duitse firma hebt gezien.

In 2002 heeft kroonprins Abdullah – de huidige koning – de wolkenkabber ingewijd. Met prins Saud Ibn Abdullah Ibn Thenayan al-Saud waakt nu een ander lid van het koningshuis over de verdere opmars van het concern. „Wij hebben ons een helder doel gesteld,” schrijft de president-commissaris in het voorwoord van het jongste jaarverslag. Sabic wil het „favoriete, toonaangevende chemieconcern” worden, „the world’s preferred leader in chemicals”.

Op de zestiende verdieping van de wolkenkrabber zit topman Mohamed al-Mady op zijn met witte zijde overtrokken Ottomaan. Hij spant zich in om de ambities van het concern wat milder te laten klinken. „Favoriet” en „toonaangevend” hoeft niet noodzakelijkerwijs de „grootste” onderneming te betekenen, zegt hij nadrukkelijk bescheiden. „Wij willen geen groei omwille van de groei, maar dat onze klanten onze producten en diensten nog meer waarderen.”

Al-Mady is net zozeer manager als diplomaat. Enerzijds legt hij zijn medewerkers strenge doelstellingen op: nadat de productie de afgelopen tien jaar ruimschoots is verdubbeld, moet zij nu jaarlijks met 10 procent groeien. Vóór 2020 wil hij bovendien de grens van 100 miljoen ton overschrijden. Maar anderzijds wil hij de concurrentie duidelijk niet meer dan nodig alarmeren. Alleen op die manier is te verklaren dat Sabic zich de „op vijf na grootste petrochemische onderneming” noemt, terwijl deskundigen het concern allang de vierde plek toekennen.

Vermoedelijk zou Mohamed al-Mady niet zitten waar hij nu zit, als hij deze spagaat tussen eerzucht en bescheidenheid niet zou beheersen, als hij niet naadloos zou kunnen overschakelen van de binnen- op de buitenwereld en vice versa. Hoe belangrijk symbolen daarbij zijn, blijkt uit het feit dat hij op kantoor zoals alle anderen een traditioneel gewaad draagt, maar zich tijdens verblijf in het buitenland met dezelfde vanzelfsprekendheid een donker pak aanmeet. Al-Mady beweegt zich tussen twee werelden.

Als jonge ingenieur was al-Mady al betrokken bij de oprichting van Sabic, en hij is snel opgeklommen binnen het bedrijf. Twaalf jaar geleden nam hij de leiding over van de onderneming, die voor 70 procent staatseigendom is. Niemand weet beter dan hij hoe belangrijk deze tweede inkomstenbron is voor het land, dat weliswaar de grootste olievoorraden ter wereld bezit, maar zich op tijden van lagere productie moet instellen.

Tegelijkertijd zal het al-Mady, die in Amerika heeft gestudeerd en zo nu en dan in Davos en bij andere topontmoetingen van managers van de partij is, ook niet ontgaan zijn, hoe argwanend de opmars van zijn onderneming intussen door het buitenland wordt gadegeslagen.

In de bedrijfstak zijn velen jaloers op de nieuwkomer. De concurrenten wijzen er graag op dat het geen kunststuk is goedkoop te produceren, als je ruwe olie tegen een korting van 30 procent en gas voor een tiende van de wereldmarktprijs kunt inkopen.

Toen Saoedi-Arabië in 2005 over toelating tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) onderhandelde, probeerde de Europese associatie van chemiebedrijven (APPE) tot op het laatst de kwestie van de oneerlijke concurrentie op de agenda te krijgen. Het lukte de lobbyisten echter niet de toetreding tot de WTO te verhinderen. Wegens de politieke spanningen in het Midden-Oosten gaf de wens de doorslag om het invloedrijke Arabische land in de wereldgemeenschap op te nemen. Maar dit betekent niet, dat de concurrentie haar eis in de huidige Doha-ronde van de WTO zal laten vallen.

Sabic-topman al-Mady toont daar weinig begrip voor: „Waarom klagen ondernemingen, die al meer dan honderd jaar op de markt zijn en daarbij decennialang van de lage olie- en gasprijzen hebben geprofiteerd?”

Hij werpt een blik naar buiten over de stoffige stad, de metropool van een snelgroeiend land, wiens grootste zorg niet de pensioenen zijn, maar de jeugdwerkloosheid. Er zijn 29 miljoen Saoedi’s, en hun gemiddelde leeftijd is 25 jaar. Er zijn duizenden banen nodig. Maar afgezien van de oliewinning en de petrochemie is Saoedi-Arabië nog een ontwikkelingsland.

„Het is toch alleen maar eerlijk, dat wij onze kostbare grondstoffen gebruiken om in eigen land een productie op te bouwen?” zegt Al-Mady. „Wie in Saoedi-Arabië investeert, krijgt dezelfde kortingen.”

Sabic sloot de eerste joint-ventures eind zeventiger jaren met kleine producenten uit Taiwan en Japan. Later kwamen daar partnerschappen bij met de chemiedochters van de olieconcerns ExxonMobil en Shell, evenals een omvangrijk project met het Chinese Sinopec.

Op z’n minst volgens de wet kunnen buitenlanders inmiddels ook zelfstandig bedrijven stichten – behalve in de oliewinning. Maar wie ooit heeft geprobeerd een visum voor Saoedi-Arabië te bemachtigen, vermoedt dat zonder lokale hulp weinig mogelijk is.

Daar komen nog praktische problemen bij, zo meent een toeleverancier, die tot nu toe slechts rondreist in de regio: „Probeert u maar eens managers te vinden, die bereid zijn te verhuizen naar een land waar het 45 graden Celsius is – zonder biertje na werktijd, maar met zijn vrouw, die zich buitenshuis van top tot teen in het zwart moet hullen.”

Over al deze dingen heeft men in Saoedi-Arabië ook intensief nagedacht. Het koninkrijk, dat met Mekka en Medina de heiligste steden van de islam herbergt, geldt met zijn strenge uitleg van de Koran ook in de regio zelf als conservatief. Toch besluit het telkens weer tot openheid naar de wereld, als de economie van het land daar om vraagt.

De afgelopen jaren groeide de Saoedische chemieproductie zo snel, dat er uitgerekend aan gas – het voormalige afvalproduct – een tekort is ontstaan. Men spant zich weliswaar in om meer reserves te mobiliseren, maar dat kan nog wel even duren.

Zelfs Sabic moet derhalve met hogere gasprijzen rekening houden. Met de productie van goedkope plastics en elastische materialen valt dan geen winst meer te halen. Het concern lijkt zijn strategie daar al op af te stemmen. Het vertrouwt steeds meer op technologie en gokt er allang niet meer op, die louter via joint-ventures het land in te lokken. De afgelopen jaren heeft Sabic al diverse bedrijven in het buitenland overgenomen.

Vooral de overname van de kunststofdochter van het Amerikaanse concern General Electric (GE) voor 8,3 miljard euro uit 2007 geldt als buitengewoon duur. Toch markeerde deze aankoop ook de entree van Sabic in de wereld van de hightech kunststoffen. De nieuwe fabrieken vervaardigden de zonnebestendige stadiondaken voor het WK-voetbal in Zuid-Afrika, en leveren nu het materiaal voor het chassis van mobiele telefoons en iPods.

Waarnemers van deze bedrijfstak verwachten dat het rijke Sabic nog wel meer overnames zal doen. De Saoedi’s zouden zelfs belangstelling hebben getoond voor marktleider BASF, maar dat weerspreekt de Sabic-topman. Momenteel richten de speculaties zich op de kunststofdochter van Bayer.

Tegelijkertijd is Sabic ook druk bezig de binnenlandse productie verder uit te bouwen. Het verst is men daarmee gevorderd bij Saudi Kayan. Wie deze joint-venture bezoekt, die Sabic in Jubail met een Saoedische partner heeft opgericht, kan met de bus wel twintig minuten langs glimmende stalen buizen en pijpen blijven rijden. Geen installatie is ouder dan vier jaar, en er worden alweer nieuwe bijgebouwd. Het komende jaar worden hier polycarbonaten voor autolampen, lenzen en cd’s, alsmede andere hoogwaardige chemieproducten, gemaakt.

Op de langere termijn moeten deze gespecialiseerde producten voor circa een derde van de omzet zorgen, aldus José Smith, een Amerikaan, die als werknemer van GE Plastics bij Sabic terechtkwam.

Smith is niet de enige manager, die als gevolg van de overname naar Saoedi-Arabië is verhuisd. Want aan de Golf is een groot tekort – werkloosheid of niet – aan vaklieden en leidinggevenden. De koning heeft ook dit probleem onderkend, zodat intussen een kwart van de hele overheidsbegroting naar onderwijs gaat. Overal in het land worden nieuwe scholen en hogescholen gebouwd.

© Die Zeit

Vertaling: Menno Grootveld