India vindt dat het zetel verdient

President Obama zegde gisteren steun toe voor een permanente zetel in de Veiligheidsraad voor India. Daartoe is hervorming van de raad nodig, een diplomatiek proces met talloze obstakels.

Trots India laat zich niet snel verleiden, maar de Amerikaanse president Barack Obama is gisteren een heel eind gekomen met zijn charmeoffensief. Zijn steun voor een permanente zetel voor India in de VN-Veiligheidsraad was een cadeautje waar maar weinig sceptici in New Delhi op hadden gerekend, na het baanbrekende nucleaire akkoord dat Obama’s voorganger George W. Bush in 2006 met India sloot.

Dat hervorming van de Veiligheidsraad nog lang niet is beklonken, maakt het Indiase enthousiasme er niet minder op. Voor het eerst heeft de leider van de belangrijkste mogendheid in de wereld nu openlijk een spelbepalende rol toegekend aan India, volgens Obama niet ,,zomaar een opkomende macht”, maar een land dat zijn plaats al heeft verworven.

Juist die toegenomen importantie op het wereldtoneel is voor India (met ruim 1,2 miljard inwoners) de belangrijkste rechtvaardiging voor permanent lidmaatschap van ’s werelds belangrijkste politieke forum. Net zoals het volgens Delhi logisch is dat het, samen met andere opkomende landen in de wereld, meer invloed krijgt in internationale financiële instellingen. Het IMF heeft daartoe recentelijk besloten.

Maar er zijn natuurlijk ook regionale motieven waarom diplomatieke statusverhoging India goed uitkomt. Daar is in de eerste plaats aartsrivaal Pakistan, in Indiase ogen vooral een broeinest van terrorisme. Niet voor niets kreeg Obama gisteren in het parlement het meeste applaus toen hij hij een verband legde tussen Pakistan en de terreuraanslagen van eind 2008 in Mumbai. India heeft als geen ander land belang bij een stabiel, welvarend en democratisch Pakistan, rechtvaardigde Obama de Amerikaanse steun aan dat land. Maar hij voegde eraan toe: „We zullen er bij de Pakistaanse leiders op blijven aandringen dat vrijhavens voor terroristen binnen hun grenzen onacceptabel zijn, en dat de terroristen achter de aanslagen in Mumbai moeten worden berecht.”

Ook de China-factor is een constante in de Indiase strategiebepaling. Uitgebreid verwoordde president Obama gisteren zijn persoonlijke verbintenis met India, met de geschiedenis, de cultuur en de bevolking – met opnieuw een verwijzing naar zijn grote voorbeeld Mahatma Gandhi. En hij prees de diepgewortelde democratische waarden die India deelt met de VS – iets wat bijvoorbeeld niet geldt voor China, de andere grootmacht in Azië. Dat werd niet hardop gezegd, maar Indiase analisten benadrukken het graag.

Van oudsher hecht India, ooit de aanvoerder van de club van niet-gebonden landen, aan een onafhankelijke koers. Als voormalig gekoloniseerde mogendheid heeft het niet de Amerikaanse neiging tot democratische zendingsdrang. Die karakterverschillen tussen de ,,twee gelijkwaardige partners” – in de woorden van premier Manmohan Singh – zullen blijven.

Obama sprak ook over de verantwoordelijkheden die horen bij de status van permanent lid van de Veiligheidsraad. Daaronder valt volgens hem het streven naar non-proliferatie. In de gezamenlijk slotverklaring herbevestigt India zijn belofte geen kernproeven meer te nemen. Maar het wil, met Pakistan en China aan zijn grenzen, wel zijn nucleaire autonomie bewaren.