'Als je kunt slaan, kun je ook een moord plegen'

Humphrey Ludwig vond dat zijn vrouw een deel van zijn leven had afgepakt. Hij vermoordde haar in 1992. Hij lijdt niet onder zijn misdaad, spijt heeft hij wel.

foto: Lars van den Brink onderwerp: Humphrey Ludwig

Hij vermoordde zijn vrouw op 4 januari 1992, even na middernacht, met messteken. Het was geen impulsieve daad, integendeel. In juli 1992 kreeg Humphrey Ludwig (45) vijf jaar cel en tbs, in 2000 kwam hij vrij. Donderdag verschijnt zijn derde autobiografische boek.

Humphrey is zijn echte naam, Ludwig een pseudoniem. Hij is kaal met een snor en een klein baardje, en heeft hertenogen.

Het gesprek over zijn boek heeft plaats in een hotel in zijn woonplaats Utrecht. Thuis mag niet van zijn vriendin, met wie hij zes jaar samen is: „Ze is een carrièrevrouw, ze wil geen belangrijke contacten kwijtraken.” Zijn eerdere boeken gingen over het tbs-systeem en zijn vader. Dit boek, met de titel Veroordeeld. Een waargebeurd verhaal over vergelding en inkeer, behandelt de moord zelf, de voorgeschiedenis en de nasleep, zeer uitgebreid en soms akelig gedetailleerd.

U wilt uw geweld „ongesaneerd” beschrijven, stelt u in de inleiding. Is er niet genoeg geweld om ons heen?

„Dit is geen amusement.”

Nee?

„Geweld is een walgelijk iets. Het zou taboe moeten zijn. Ik heb het neergezet zoals het is om potentiële daders aan het denken te zetten. De groep die watertandend naar films als The Godfather zit te kijken. Of Scarface.

Beïnvloedden zulke films u ook?

„De reden dat ik als jongen een stiletto wilde, was dat ik er een op tv had gezien.”

U gebruikt het pseudoniem Anita voor de vrouw die u vermoordde. Waarom niet haar echte naam?

„Om haar familie er niet meer te confronteren.”

Is de moord gedetailleerd beschrijven niet veel confronterender?

Met afgewende blik: „Ze hoeven het niet te lezen. Dat zullen ze ook niet doen.”

Vermoordde u haar omdat ze vreemdging?

„Dat is voor mij nooit een reden geweest. Alleen een excuus.”

Waarom dan?

„Ik vond dat ze een deel van mijn leven had afgepakt. Ik zeg niet dat het zo ís. Het was puur mijn eigen schuld dat mijn leven niet ging zoals ik wilde. Maar als je zo vol testosteron zit – ik had sterk de neiging confrontaties op te zoeken.”

Ziet u testosteron als oorzaak?

„Niet de enige oorzaak. Maar ik heb er veel van.”

Hoe kanaliseert u die nu?

„Ik sport, dan kun je het een beetje kwijt. Hoewel sporten het ook opwekt. Ik ga vaak fietsen.”

Hoewel uit uw boek blijkt dat u de moord zorgvuldig had gepland, bevond het Pieter Baancentrum u sterk verminderd toerekeningsvatbaar. U heeft volgens hen een ‘persoonlijkheidsstoornis met psychotische kern’.

„Ik herkende me daar niet in maar het kwam me toen goed uit. Als je toch al worstelt met je geweten, is het prachtig om te horen.”

Er is niets mis met uw persoonlijkheid?

„Dat zeg ik niet. Er zal best een schroefje loszitten. Maar daar zijn zij nooit achtergekomen.”

Bent u er achtergekomen?

Hij denkt even na. „Een egocentrische instelling. Verwend als kind. En het universele gevoel van door rood mogen lopen. Te hard mogen rijden.”

Dat hebben veel mensen. Minder mensen vinden dat ze een moord mogen plegen.

„Moord is gewoon een vorm van geweld. Je kunt slaan, schoppen, spugen, moorden. Als je kunt slaan, kun je ook een moord plegen.”

Dat zal niet iedereen met u eens zijn.

„Dat is hun goed recht. Niet iedereen heeft dat inzicht.”

Eenderde van uw boek gaat over uw versie van een relatie met een medewerker van de tbs-kliniek. Waarom zo uitgebreid?

„Op mijn afdeling hadden drie van de elf veroordeelden een relatie met een vrouwelijk persoonslid. Dat die relaties kunnen plaatsvinden, betekent dat de kliniek niet goed functioneert.”

Wat deed u sinds uw vrijlating?

„Ik ben schrijver en werk af en toe als portier in de horeca.”

Vertelt u iedereen wat u gedaan heeft?

„Niet meteen als ik iemand tegenkom, wel aan nieuwe vrienden en bekenden.”

Hoe reageren mensen?

„Verrassend positief. Goed dat je de juiste weg bent ingeslagen. Niet: tof dat je die moord hebt gepleegd. Dat zeggen ze alleen in de bajes.”

Wat vindt uw huidige vriendin van uw verleden?

„Zoals de meeste mensen is ze trots dat ik op mijn schreden ben teruggekeerd.”

U pleegde een partnermoord. Dat moet een partner toch aan het denken zetten.

„Daar heb ik weinig last van. Ik denk dat mensen kijken naar hoe het nu gaat.”

Torst u een schuldgevoel mee?

„Ik heb wel spijt maar geen wroeging. Spijt is dat je wenst dat je het anders had aangepakt. Wroeging is dat je eronder lijdt. Een pijngevoel. Dat heb ik niet.”

Waarom schrijft u ‘Het is alsof ik de Dood zelf aanstaar’ als u na de moord in de spiegel kijkt?

„Ik zag een lege blik. Waar je een beetje bang van wordt.”

Dit schrijft Ludwig in zijn boek

Mijn rechterhand knelt om het heft dat uit haar lichaam steekt. Mijn linkerhand klemt zich instinctief over haar mond. De zijkant van mijn hand drukt tegen haar neus. Haar hoofd buigt achterover. Anita snakt naar adem. Ze worstelt, vecht voor haar leven, haar ogen opengesperd.

(...)

Zorgvuldig was ik het bloed van mijn gezicht en handen. Ik kijk mezelf aan in de spiegel. Het is alsof ik de Dood zelf aanstaar.

(...)

Terwijl ik moeite moet doen mijn ogen open te houden, staar ik naar de checklist in mijn hand. Wat voor zin heeft het nog om haar lijk in brand te steken? Er is niets aan te zien waarvan ik niet wil dat het gezien wordt. Het lijk van Anita nu nog in brand steken zou overbodig zijn. Ik ben wreed. Maar ik ben niet onnodig wreed. Het is al erg genoeg dat ze dood is en haar verder nodeloos verminken nu ik mijn wraak heb genoten, zou waanzin zijn.

(...)

U bent een ernstig gestoorde persoonlijkheid, zei de rechter tegen me, en in gedachten gaf ik als antwoord: en dat zegt een man die zich dagelijks in een zwarte soepjurk in de openbaarheid vertoont.

(...)

Wat ik gedaan heb is gruwelijk, verwerpelijk, kortzichtig en bovenal afgrijselijk egoïstisch. Ik voel haar pijn, wanhoop en onbegrip voor een wereld die haar alleen maar beangstigde. Anita is gestorven zonder ooit echt te weten waarom.

(...)

In gedachten zie ik Joep [minnaar van Anita, red.] bloedend op straat liggen, nadat ik met hem klaar ben. Maar ik merk dat de achterliggende emotie

die me zo gewoon was, verdwenen is. Natuurlijk, ik zou hem zonder meer af kunnen slachten en daarna gewoon weglopen voor een broodje hamburger. Maar wat voor reden heb ik nog om te doden?

(...)

Marina [sociotherapeut in tbs-kliniek, red.] kruipt wat verder op de bank en vlijt zich tegen me aan. ‘Wat dóé je?’ Ik ben verbijsterd over deze plotselinge intimiteit. (...) Ik voel haar geilheid, nu ze zo half over me heen gekropen is.

‘Veroordeeld’ is uitgegeven door Nieuw Amsterdam