'Wat is dát beeldschoon, zeg'

Tekenaar Peter Vos voegde met zijn tekeningen veel redenen tot vrolijkheid aan de wereld toe.

Peter Vos, die zaterdag op 75-jarige leeftijd in Utrecht overleed, was vooral bekend wegens zijn illustraties. Hij illustreerde zo’n zeventig boeken voor kinderen en volwassenen, van onder anderen Rudy Kousbroek, Simon Carmiggelt, Renate Rubinstein, Koos van Zomeren en Armando. Wie in de jaren zeventig of tachtig is opgegroeid, kent hoogstwaarschijnlijk zijn Beestenkwartet of zijn tekeningen in de Sprookjes van de Lage Landen van Eelke de Jong en Hans Sleutelaar. Oudere lezers kwamen zijn tekeningen tegen in Propria Cures of Vrij Nederland, waarvoor hij meer dan veertig jaar ‘leeuwtjes’ tekende bij de rubriek Terzijde.

Pas in 1995, toen Vos een overzichtstentoonstelling kreeg in De Beyerd in Breda, kon het grote publiek kennismaken met zijn meer particuliere werk. De tekeningen die hij voor zichzelf of voor vrienden maakte en die uit niets anders dan kijk- en tekenplezier waren ontstaan. Notities van dingen die hij zag, verbeeldingen van dingen die hij verzon.

In het VPRO-radioprogramma Het Marathoninterview verwees Vos in 2003 naar de titel van een bundeling Loesje-posters: Mooi hè, alles. „In die stemming ben ik regelmatig. Dat ik de tuin of de straat in kijk of een meeuw voorbij zie vliegen en denk: wat is dát beeldschoon, zeg. (...) Er zijn op aarde eigenlijk veel redenen om vrolijk te worden. Als je niet te ver kijkt.”

Vos voegde zelf met zijn tekeningen veel redenen tot vrolijkheid aan de wereld toe. Als je ze ziet, besef je hoe zalig het moet zijn om tekenend door het leven te gaan. Om op zomaar een namiddag met een tekenblokje, een potlood, een potje Oost-Indische inkt en een beetje kleur ergens te gaan zitten en – geduldig en met grote zorg – iets moois te maken.

Aan de schilder Willem den Ouden, met wie hij bevriend was sinds de Rijksakademie in de jaren vijftig, stuurde Vos eens een kaart waarop hij zichzelf had getekend terwijl hij die kaart zat te schrijven. In de tekst onder het zelfportretje bedankte hij Den Ouden omdat deze hem had vergezeld naar de opticien, waar Vos zich een leesbril had laten aanmeten. De bril had hij op het briefje onder zijn zelfportret getekend: een gedeelte van de tekst werd door de glazen vergroot.

Zijn vrouw Saïda stuurde hij in 1992 een tekening van zichzelf in travestie. ‘Liefste’, staat er achterop, ‘ik heb je nog iets vergeten te vertellen. Liefs, Mademoiselle P.’

Vos’ getekende wereld zit vol grapjes en dubbelzinnigheden, vol verkleedpartijen en fantasieën. En vol vogels, want hij was een groot vogelliefhebber. Ontelbaar veel mussen, mezen, kraaien en uilen zijn door hem vereeuwigd. De twee interesses komen samen in zijn tekeningen naar de Metamorfosen van Ovidius: omstreeks 2003 verzamelde hij daaruit alle verhalen waarin mensen in vogels veranderen. Hij leefde zich in en maakte tekening na tekening. Eerst ontstaan er veertjes in de gezichten van de figuren. Stukjes vleugel aan hun armen. Vervolgens krijgen ze een staart. Ze weten niet wat hun gebeurt als ze loskomen van de grond en dan vliegen ze twijfelend weg. Onwennig. De kijker begrijpt: zo’n metamorfose overkomt je. Weerstand bieden heeft geen zin. Voortaan ben je een vogel.

De metamorfosen behoren tot Vos’ beste late werk. Een keuze uit Vos’ oeuvre tot 1995 is te vinden in het mooie boek Peter Vos – tekenaar, dat verscheen bij het retrospectief in Breda. Het Rijksmuseum in Amsterdam verwierf vorig jaar een representatieve groep tekeningen van Vos, waarvan een deel nog tot en met 9 januari te zien is op een tentoonstelling van hem en etser Charles Donker in het Centraal Museum in Utrecht.