Verdeeldheid bij links

Dat Nederland nu daadwerkelijk wordt geregeerd door het kabinet-Rutte en niet door een kabinet-Cohen is niet alleen het gevolg van strategisch inzicht. Het verschil tussen de echte en de virtuele premier is kwantificeerbaar: 80.770 stemmen. Nooit is het verschil tussen macht en onmacht in de Nederlandse politiek zo klein geweest.

We zullen nooit weten wat er zou zijn gebeurd als tachtigduizend kiezers anders hadden gestemd. Bovendien staat in Nederland nergens geschreven dat de grootste partij ook de premier levert. Sinds de vorming van het CDA medio jaren zeventig is dat tweemaal nadrukkelijk niet gebeurd: in 1977 en 1986. Beide keren was de PvdA de grootste, maar sloot het CDA een akkoord met de VVD en leverde de premier.

Maar het is niet raar dat de PvdA zich wel het hoofd breekt over deze mogelijk beslissende marge van 80.770 stemmen. Zelfs met lijsstrekker Cohen, die ondanks zijn onbeholpen campagnestijl wel degelijk extra kiezers bij de andere linkse partijen moet hebben weggetrokken, heeft de PvdA het in het gepolariseerde klimaat immers niet gered.

Een nieuwe alliantie is het antwoord dat daarop in kleine kring wordt geformuleerd. Cohen en fractieleider Halsema van GroenLinks voeren daarover vertrouwelijk gesprekken. Dat is geen verrassing. Hun wederzijse politieke genegenheid was in de formatie al zichtbaar. Ook de wetenschappelijke bureaus zoeken elkaar vaker op

Het is niettemin een déjà vu: naar begin jaren 70 toen er werd gewerkt aan en gedroomd over ‘Progressieve Akkoorden’ (PAK) en een Progressieve Volkspartij. Behalve in een ‘schaduwkabinet’ en het programma ‘Keerpunt 72’ kwam er verder weinig van terecht.

De barrières zijn veertig jaar later wel anders geworden. Indertijd waren links en progressief zo goed als synoniem. Nu zijn het verschillende politieke stromingen, waarbij links staat voor conservering en progressief voor hervorming van de verzorgingsstaat. Deze breuklijn klieft met name de PvdA in tweeën, al moet niet worden onderschat dat ook GroenLinks nog altijd een klassieker linkse achterban heeft dan het standpunt over bijvoorbeeld ontslagrecht doet vermoeden. De enige partijen die redelijke eenduidig zijn te plaatsen, zijn D66 en SP. Het is geen toeval dat die afstand houden tot de gesprekken tussen Cohen en Halsema.

Desondanks is het niet vreemd dat PvdA en GroenLinks de mogelijkheden nu aftasten. In een gepolariseerde politiek staan links en rechts nu eenmaal tegenover elkaar en dreigt het redelijke midden te worden gemangeld. In zo’n klimaat ligt het voor de hand dat partijen zoeken naar nieuwe wegen die leiden tot machtsvorming. Of die samenwerking ook leidt tot een herverkaveling van het politieke landschap zal in de dagelijkse praktijk van de oppositie moeten blijken.

Maar zoals de linkse jaren van Den Uyl de voedingsbodem bleken voor de vorming van het CDA, zo zou het tijdperk van Rutte wel eens de ‘vroedvrouw’ van iets vergelijkbaars aan progressieve zijde kunnen worden.