Eigen baas, eigen koers - en nooit meer echt vrij

Met de roman Vrijheid schreef de Amerikaan Jonathan Franzen een bestseller over een gezin in tijden van grenzeloze vrijheid. NRC Handelsblad schetst in een korte serie waar de vrijheid op andere terreinen begint en eindigt. Vandaag het vierde en laatste deel: het zelfstandig ondernemerschap, dromen van vrijheid.

Vrijheid 4, zelfstandige en werknemers

Treinen en bussen stoppen voor de draaideur, auto’s rollen vanaf de doorgaande weg zo de ondergrondse parkeergarage van café-restaurant Dauphine in Amsterdam in. Rond tien uur ’s ochtends zitten jonge mensen achter metershoog glas te bellen en druk te tikken op hun netbooks. Ze komen soms van ver om hier aan vierkante tafeltjes te wachten op hun klanten en opdrachtgevers. Voor deze zelfstandig ondernemers is Dauphine een knooppunt. Dit is hun Zuidas.

Na een uur herken je ze al in de draaideur. De dertiger met zijn warrige krulhaar die de beste tafel uitzoekt en die al zittend zijn jas uitdoet. De man in zijn smetteloos witte overhemd die over zijn computerscherm heen alles ziet wat om hem heen gebeurt. Werken ze eigenlijk wel? Juristen en adviseurs van de grote zakenkantoren in de buurt gedragen zich onverschilliger. Hun jas hangt al over een arm, ze weten waar ze gaan zitten. Hun computers lieten ze achter op de zaak.

Na nog een uur denk je te weten hoeveel omzet ze draaien, de ondernemers. Ze zíjn hun bedrijf. Ze komen hier omdat ze droomden van vrijheid, net als bijna een miljoen andere Nederlanders die voor zichzelf begonnen. Ze wilden niet meer werken in een kantoor. Ze hadden een baan die ze niet leuk genoeg vonden of kwijtraakten. Sommigen begonnen nooit aan een baan.

Ze wilden vrij zijn om naar het park te gaan en om te gaan golfen wanneer ze daar maar zin in hadden. Midden in de nacht werken als het zo uitkwam. Ze wilden beslissingen nemen zonder steeds rekening te hoeven houden met tragere, minder vindingrijke collega’s. Hun eigen successen vieren. Nooit meer vergaderen!

De eerste weken van het ondernemersbestaan zijn ze euforisch, allemaal. Als er dan nog geen opdrachten binnenkomen, raken ze onzeker. Ze zoeken structuur. Kantoortijden. Een kantoor. Mensen met wie ze ervaringen kunnen delen. Mensen die zeggen wat ze moeten doen. En ook al kunnen ze naar buiten wanneer ze maar willen, ze doen het niet. Niet als ze heel veel werk hebben. Ook niet als het zo rustig is dat ze zichzelf pas rust gunnen bij voldoende nieuw werk. Ze ondervinden dat hun opdrachtgevers van negen tot vijf werken en zij hen in die uren moeten verleiden tot opdrachten. Het werk laat hen niet los. Ze zijn nooit meer echt vrij.

Marieke van der Klip uit Abcoude – achterin bij het raam – trok vanochtend haar bruine suède pumps en zwarte colbert aan om hier af te spreken met een man die net als zij bemiddelt in banen voor wiskundigen en programmeurs. Ze is 35 jaar en kent hem nog van ABN Amro, waar hij kandidaten aandroeg en zij accountmanager was voor het midden- en kleinbedrijf. De jaren erna wierf ze personeel bij een handelshuis in Rotterdam. Op dag één van dit jaar ging ze dat voor zichzelf doen.

Ze vond het altijd al leuk om mensen aan banen te koppelen. Het reizen naar Rotterdam viel haar zwaar en bij het handelshuis zou ze geen manager worden. Het leek haar heerlijk als niet telkens iemand aan haar bureau zou staan om „te storen voor een meeting hier en een meeting daar”. Het zijn de collega’s die ze nu mist. Niet voor niets spreekt ze „bewust” hier af, „om onder de mensen te zijn”. Ze werd eenzaam.

Haar man Erik heeft een goede baan bij KPMG, haar zoon Lucas is 17 maanden. Ze wilde voor zichzelf beginnen om „mijn eigen beslissingen te nemen. Geen verantwoordelijkheid hoeven af te leggen aan een baas. Ik wilde mijn eigen koers bepalen. Zelf bepalen wanneer ik werk.”

Na de zomer kwamen de opdrachten binnen. „Bedrijven houden de hand niet meer zo op de knip.” In de maanden ervoor was het nog moeilijk om opdrachtgevers te vinden en was ze veel tijd kwijt met het opzetten van een website. Werk dat niet direct zichtbaar was voor anderen en waarbij ze geen contact had met kandidaten en opdrachtgevers. „Na drie of vier maanden vroegen mijn ouders: ‘Heb je al wat verdiend? Anders zegt Erik straks: ga maar een baan zoeken.’ Erik zat ernaast, op de bank. Hij zei: van mij hoeft ze helemaal geen baan te zoeken.” Het voelde alsof ze niets deed. „Dat ik om me heen keek en dacht: zit ik hier op mijn zolderkamer. Ik was eenzaam. Toen ik daarachter kwam, ben ik mensen gaan opzoeken.”

Ze vond een kantoorpand in Utrecht waar zelfstandigen in elkaars nabijheid werken. Ze praat met hen over hoe zwaar ondernemen kan zijn. „Het feit dat ze daar naar toe gaan om te werken, zegt genoeg.” Ze vond netwerkorganisaties waarbij ze zich kan aansluiten. Zakelijke afspraken maakt ze op het kantoor of in Dauphine. Ze consulteerde haar eigen coach.

Op woensdag is ze vrij en zorgt ze voor Lucas. Als hij slaapt, probeert zij niet te werken. Als Erik zegt „Kom schat, we gaan naar buiten”, is er altijd iets wat ze nog moet doen. Er is altijd een schuldgevoel.

Ze is gedreven, zegt ze. „Het werk laat me niet los. Ik ben nu tien keer zoveel tijd met mijn werk bezig, ook in het weekend.”

De fysieke klachten die ze weet aan de werkdruk bij haar voormalige werkgevers, verdwijnen niet. Ze probeerde aan hun verwachtingen te voldoen en dacht: „Als ik eigen baas ben, gaat het beter met mijn schouders en hoofd en nek. Ik zou om half elf kunnen gaan wandelen om te ontspannen, dat doe je niet bij een bedrijf. Nu denk ik: eerst nog even dit afmaken. Dán neem ik rust.”

Aan een klein tafeltje voorin het café-restaurant wacht Patrick van der Hijden van 37 jaar in een donkerblauwe sweater op een vrouw die hem een debat laat leiden. Hij heeft warrig krulhaar en bedenkt verhaallijnen voor tentoonstellingen, bedenkt communicatiestrategieën en programmeert evenementen. Hij werkte tot twee jaar geleden bij een bedrijf dat dat deed. Toen dat niet langer drie maar twintig mensen in dienst had, ging hij weg.

Daar heeft hij nooit spijt van gehad. Hij wilde niet op kantoor zijn omdat dat nu zo hoort. Hij wilde vrij zijn van al het werkoverleg, van de bergen aan tijd die collega’s in elkaar investeren. Vrij om programma’s te maken die hij zelf bedacht en te adviseren zonder dat dat direct tot nieuwe opdrachten moest leiden. Hij wilde zich ontwikkelen.

Hij denkt dat mensen van eind dertig „vaak gelijk hebben en het niet krijgen” en dat ze daarom voor zichzelf beginnen. Voor hem was dat op de eerste dag van 2009.

Zijn leven is er niet eenvoudiger op geworden, zegt hij. Maar hij heeft eindelijk het gevoel achter de knoppen te zitten, kernachtiger kan hij het niet verwoorden.

Hij kon een verbond van gemeenten en boeren die een belangrijke nieuwe communicatiestrategie van hem wilde horen, eerlijk zeggen dat ze alleen iemand nodig hadden om de perscontacten te onderhouden en dat hij dat niet moest zijn. Maar nee zeggen tegen opdrachten, doet hij niet vaak. „Tegen een klus van 12.000 euro zeg je geen nee.” Ook niet als hij zich er niet helemaal in kan vinden. „Die financiële angst is er altijd.” Hij verdient genoeg.

Met andere, creatieve ondernemers houdt hij kantoor in het centrum van Utrecht, voor 300 euro per maand. Hij komt er graag en vaak. „We ouwehoeren veel.” Hij leest een boek over Congo omdat hij een debat leidt over Congo. De programma’s die hij wil maken moeten nog even wachten. Hij barst van de ideeën. Hij droomt nog altijd van vrijheid. Ooit maakt hij een reis met zijn geliefde en twee kinderen, over land via Kazachstan naar China.

In een smetteloos wit overhemd wacht Jasper van Wanrooy (27) in Dauphine het langst, op vertegenwoordigers uit de Oekraïne. Hij werd zeilinstructeur toen hij achttien was, op zijn vijftiende maakte hij zijn eerste website. Loondienst was nooit een optie.

Tijdens zijn studie technisch management in Groningen begon hij met een vriend, Laurens, een bedrijf dat websites maakte. Laurens leerde Wouter kennen, bij Deloitte. Tijdens een wintersportuitje van de zaak bedachten de twee het webbedrijf dat ze nu gedrieën leiden. Ze maken het vrouwen mogelijk om op internet met elkaar te winkelen. In het centrum van Utrecht zitten ze in een prachtig oud en hoog pand. Tegen een schouw leunen tassen met golfclubs. De oprichters golfen niet. Zelfs vergaderen doen ze in de avonduren, omdat het overdag te veel tijd kost. Maar de gedachte dat ze naar de golfbaan kúnnen gaan als ze dat willen, geeft hun een gevoel van vrijheid.

Het lijkt op wat Marieke van der Klip zegt, over het kantoor in Utrecht en dat ze ernaartoe kan gaan als ze dat wil. „Al ga ik twee weken niet; weten dat ik het achter de hand heb, maakt me minder eenzaam.”

Nog geen week geleden wilde ze „de stekker eruit trekken”. Er was een opdrachtgever én een sollicitant. In de contractonderhandelingen kwamen de twee er net niet uit, waardoor zij geen geld kreeg. „Zoiets ligt buiten je macht.”

Ze moet niet alleen de successen vieren die geld opleveren, weet ze. Ook de tussenstappen moet ze vieren. Nu denkt ze door te willen gaan. Eind 2010 maakt ze de balans op. „Het is het meest leerzame jaar van mijn leven.”

Fragment ‘Vrijheid’, Jonathan Franzen

„Ik heb een investering gedaan. Ik heb risico genomen.”

„Je profiteerde van een maas in het net, dus werd die vervolgens gedicht. Zag je dat niet aankomen dan?”

„Waarom heb je me niet gewaarschuwd als je het zo goed weet?”

„Ik héb je gewaarschuwd.”

„Je zei alleen maar dat het me geld zou kunnen kosten.”

„En het heeft je niet eens geld gekost. Je hebt alleen maar minder verdiend dan je hoopte.”

„En ik hád ook meer moeten verdienen.”

„Joey, geld verdienen is geen recht.”

Eerdere afleveringen in deze serie verschenen op 25 en 29 oktober, en op 2 november.