De weg tussen vergeten en vergeven

Waarom hebben we geen herinneringen als baby? En wat schrijf je als je weet dat je vergeten gaat worden?

Lees Douwe Draaisma’s Vergeetboek.

Cover van het boek Vergeetboek van Douwe Draaisma

Wat weten we eigenlijk van het nut van het geheugen en van het opslaan en onthouden van allerlei zaken? Ik heb vreemde ervaringen met mijn geheugen – en ik weet uit navraag dat dat voor veel mensen geldt. Volledig verkeerd opgeslagen herinneringen, volledig vergeten gebeurtenissen en personen. Maar ook: haarscherp en tot in alle details herinnerde episodes die alleen ik me herinner, en niemand anders. Zulke ervaringen voeren naar vragen als ‘wat is er werkelijk gebeurd?’ En daarop volgen al gauw vragen als ‘wat is de waarheid?’en ‘wat is de werkelijkheid?’ Waarom zou er op het gebied van het brein en de geheugenkunde niet een sensationeel nieuw inzicht aan het licht kunnen komen?

Deze spanning is voortdurend aanwezig in Vergeetboek, het nieuwe boek van Douwe Draaisma. Het bevat dertien stukken over de werking van het geheugen – of juist over het falen ervan. Het begint al meteen met het verschijnsel van de eerste herinnering. Daar hangen veel misverstanden omheen, en veel foute veronderstellingen. De gemiddelde eerste herinnering gaat terug naar het derde, vierde levensjaar. Mensen schamen zich als hun eerste herinnering van veel latere datum is – en denken dan al gauw dat ze ‘een slecht geheugen’ hebben. Van de andere kant bieden mensen ook graag tegen elkaar op. Hoe vroeger de herinnering, hoe beter.

Draaisma laat zien dat al die eerste herinneringen veel op elkaar lijken, zodat ze dus minder uniek zijn dan veel herinneraars zelf denken. Draaisma gaat in op de rol van de ouders, de manier waarop informatie in kinderbreintjes wordt opgeslagen, de rol van taal, de rol die foto’s later spelen – en dus is het niet zo vreemd om te concluderen dat ‘onze herinneringen eerder reconstructies dan recapitulaties van onze ervaringen zijn’. Dit is allemaal al erg interessant, en onderhoudend, en vermakelijk, maar typerend voor de aanpak van Draaisma is dat hij verder gaat. Hij is vooral geïnteresseerd in al het vergeten dat aan die eerste herinnering voorafgaat. ‘De hersenen worden bij de geboorte casco opgeleverd.’ Daarna moet er nog heel wat bedrading worden aangelegd. En het is ook wel aannemelijk dat er eerst zoiets als een zelfbesef moet zijn, voordat iets een herinnering kán worden. Als er in het brein nog geen ‘ik’ is dat een herinnering opeist, zal er ook niets opgeslagen worden. ‘Vergeten’ kun je dat niet noemen. Eerder moet je onthutst constateren dat er eenvoudigweg veel verdwijnt – zoals Draaisma dan ook maar doet aan het eind van zijn stuk: ‘Je ziet je zoontje van net twee met zijn opa spelen, je weet dat wat later zijn eerste herinnering zal zijn op zijn vroegst over een jaar of anderhalf wordt vastgelegd en je beseft grimmig wat er ontbreekt aan jonge kinderen: een knopje met rec. en een rood lampje dat geruststellend aangeeft dat dit kinderbrein aan het opnemen is.’

In zo’n eerste stuk komen al veel kanten van Draaisma aan bod. Hij is erin aanwezig als wetenschapper, als journalist met een brede belangstelling, als essayist die vlot vergelijkingen met film en literatuur trekt en, zoals hier, als vader.

Het laatste stuk van het boek is gewijd aan terdoodveroordeelden. Het gaat om Parijzenaars, ten tijde van de Terreur, 1793-1794. Ze weten dat ze de volgende dag naar de guillotine geleid zullen worden. Ze mogen een laatste afscheidsbrief sturen. Er zijn er honderden bewaard gebleven. Ongemakkelijke, hartverscheurende brieven, die nooit voor ons bestemd waren. De waarheid is nog ongemakkelijker: ze zijn zelfs nooit verstuurd. Ze werden in de gevangenis meteen op een hoop gegooid – daarom kunnen wij ze nu nog lezen. Voor dat soort paradoxale wendingen van het lot heeft Draaisma veel gevoel. Interessant onderwerp, maar waarom nam hij het in zijn boek op? Omdat hij wilde zien hoe mensen zich gedragen in het vooruitzicht van hun eigen vergetelheid. Ze weten dat ze zeer binnenkort hun ‘eerste dood’ (de lichamelijke dood) moeten sterven. Maar ze kunnen nog wel invloed uitoefenen op hun ‘tweede dood’, dat is de verdwijning uit het geheugen van hun dierbaren. En wat doen ze dan?

God wordt in deze brieven nauwelijks aangeroepen. Belangrijker vinden ze dat ze hun leningen terugbetalen. Niemand wil blijkbaar sterven met een schuld. Ook morele schulden worden nog zo veel mogelijk weggewerkt. En er wordt in deze laatste brieven heel veel vergeven. Draaisma laat mooi zien hoe deze afscheidsbrieven vanzelf ook aanzeggingsbrieven waren. Sommige schrijvers zagen zich genoodzaakt er meteen een condoleancebrief van te maken, om de nabestaanden te troosten en te steunen. En soms gaven ze dan tot slot nog dit nuttige advies: vergeet mij.

Tussen deze twee uitersten (eerste herinnering, tweede dood) bevinden zich de dertien essays van Vergeetboek. Je kunt niet zeggen dat het vergeten hier uitputtend wordt behandeld – eerder zijn het dertien essays, losjes met elkaar verbonden. Er is een interessant stuk over de mythe van het absolute geheugen waarin alles wat we ooit gezien en beleefd hebben opgeslagen zou blijven. Een stuk over de vraag of ‘verdringen’ bestaat, en wat we aan moeten met ‘verdrongen herinneringen’, aan seksueel misbruik bijvoorbeeld. Bestaan er ook vergeettechnieken? Er is een stuk over het vergeten van dromen, over de man die gezichten vergat, over het geheugen van lijders aan het syndroom van Korsakov – en over nog veel meer. Te veel om te onthouden! Dat is dan misschien een punt van kritiek: er staat te veel in. En: er had daarom ook wel een zaakregister in opgenomen mogen zijn. Maar verder niets dan lof voor dit leerzame boek met zijn mooie titel.

Douwe Draaisma: Vergeetboek. Historische Uitgeverij. 280 blz. € 27,50 (geb.), 19,95 (paperback)