Stompsnuitdolfijn

Menigeen had de steen van tweeëntwintig centimeter weer achteloos overboord gegooid, maar Albert Hoekman zag er een fossiel bot in en bewaarde het. Hij had het tussen de platvis uit de netten van de GO 28 gehaald, op de 52ste breedtegraad, 110 kilometer ten westen van Rotterdam. Nadat het fossiel een museumstuk werd met catalogusnummer NMR 9991-05362, begon het gebruikelijke onderzoek: welk skeletdeel is het en van welke diersoort? Dat leverde een verrassing op.

Klaas Post, die duizenden fossielen uit de Noordzee in handen had, herkende er een deel van de linker snuit van een dolfijn in. De opvallende uitstulping aan de zijkant kende hij van geen enkele recente of uitgestorven walvisachtige. Erwin Kompanje, kenner van ziekelijke afwijkingen in dolfijnskeletten, stelde vast dat de unieke lepelvorm van de schedel niet het gevolg is van botwoekering. Samen concludeerden ze dat het fossiel een overblijfsel is van een nog onbekende, uitgestorven dolfijn die ze de officiële wetenschappelijke naam Platalearostrum hoekmani gaven. De stompsnuitdolfijn zwom twee tot drie miljoen jaar geleden in de Noordzee, was vier tot zes meter lang en moet een bizarre bolle kop gehad hebben.

    • Kees Moeliker