'Rijke mensen die geld geven, dat vindt men eng'

Instellingen leunen voor een deel op vermogende Nederlanders. Verzamelaars, kleine en grote donateurs,

stichters van een fonds op naam, allen delen ze één ding: liefde voor de kunst.

Wie zijn de particuliere geldgevers die de Nederlandse kunstsector moeten redden nu het kabinet fors bezuinigt op cultuur? Veel kunstinstellingen, met name de grotere musea maar bijvoorbeeld ook het Concertgebouw, leunen voor een deel op giften van vermogende Nederlanders. Maar de namen van deze gevers en hun gezichten zijn bij het grote publiek niet bekend, noch de rol die deze mensen spelen in de kunstwereld.

Dat is jammer, vindt Han Nefkens, die onder meer Museum Boijmans Van Beuningen, het Centraal Museum in Utrecht, Huis Marseille en De Pont in Tilburg steunt. Hij is een van de weinige mecenassen die de laatste jaren wel uit de schaduw zijn getreden. Toen hij tien jaar geleden begon met het aankopen van kunstwerken voor musea wilde ook hij liever niet in de openbaarheid treden als geldschieter, vertelt hij. Deels uit schroom, deels uit voorzichtigheid. Nu doet hij dat veel makkelijker, omdat hij een voorbeeldfunctie wil vervullen.

Nefkens is de mecenas zoals je die je voorstelt. Hij geeft kunstenaars opdracht kunstwerken te vervaardigen voor musea. Dat doet hij in samenspraak met museumdirecties. De kunstenaar ontvangt een honorarium, het museum een kunstwerk. De enige voorwaarde die Nefkens stelt is dat de kunstwerken elke vijf jaar een keer tentoongesteld worden. „Ik wil geen kunst verzamelen om er in mijn eentje thuis van te genieten”, zegt Nefkens. „Ik wil mijn passie voor de kunst met anderen delen. Net zoals je wilt dat anderen een boek dat je goed vindt ook gaan lezen.”

De bedragen die Nefkens schenkt aan cultuur zijn substantieel. Eigenlijk praat hij er liever niet over, maar om toch het goede voorbeeld te geven, wil hij ze wel noemen. Museum Boijmans Van Beuningen steunde hij de afgelopen vijf jaar via zijn H+F Mecenaat met in totaal 1 miljoen euro om hedendaagse kunst aan te kopen of te laten produceren. Nu heeft hij een nieuwe samenwerking uitgedacht: H+F Fashion on the Edge, een mecenaatsconstructie waarbinnen hij eerder al werk aankocht voor het Centraal Museum in Utrecht en de komende jaren voor Boijmans. Het museum mag tot 2015, in overleg met Nefkens, voor 700.000 euro besteden aan kunstwerken en tentoonstellingen op het snijvlak van mode en kunst.

Nefkens is een mecenas die de samenwerking zoekt met bestaande kunstinstellingen, precies zoals het nieuwe kabinet dat wil.

Maar er zijn ook mecenassen die zich buiten de gebaande paden van de kunstwereld begeven. Thom Mercuur bijvoorbeeld, die in het Friese Oranjewoud samen met twee vrienden zijn jongensdroom realiseerde: een eigen museum voor moderne en hedendaagse kunst vlakbij huis, Museum Belvédère. ,,Onze plannen om bij het Tjeukemeer een dependance van het Fries Museum te bouwen, liepen in de jaren negentig op niets uit. Toen zijn wij ons eigen plan gaan trekken”, zegt Mercuur. Zijn kunstcollectie gaf hij aanvankelijk in bruikleen aan de stichting die was opgericht om het museum te beheren. Later verkocht hij deze „met grote korting”. ,,Ik koop nog regelmatig werk voor het museum, als ik iets zie wat binnen de collectie past. Maar mecenas zou ik mezelf nooit noemen, dat is zo’n grote term.”

Een rondgang langs kunstinstellingen en gevers leert dat het mecenaat een containerbegrip is. Er zijn mecenassen in alle soorten en maten. Onderaan in de hiërarchie van donateurs staat de ‘vriendenkring’. Bijna elke kunstinstelling heeft zo’n vereniging waarvan fans lid kunnen worden voor enkele tientjes. In ruil daarvoor krijgen ze toegang tot het museum, soms een vriendentijdschrift, uitnodigingen voor openingen en andere cadeautjes. Gezien de kosten van deze activiteiten levert het de kunstinstellingen financieel niet veel op, maar als investering in de toekomst zijn deze prille relaties veel waard. Een ‘vriend’ kan later uitgroeien tot ‘grote gever’ – tijdens of na zijn leven.

Vooral de grotere kunstinstellingen hebben de laatste jaren voor grote begunstigers, die aanzienlijke bedragen schenken, speciale clubs opgericht, die niet alleen culturele bijeenkomsten organiseren maar ook gelegenheid geven tot netwerken. Zo heeft het Scheepvaartmuseum in Amsterdam zeventien Kamers opgericht, waarin gevers zijn verzameld die een bepaald interessegebied delen. Coen van Oostrom is Heer van de Vastgoedkamer. De zeventien leden dragen allemaal „enkele duizenden euro’s” per jaar bij aan het museum. Hij had geen speciale affiniteit met het museum („ik was er in mijn jeugd wel eens geweest”), maar toen hij door een zakenrelatie werd benaderd met de vraag of hij het voortouw zou willen nemen bij de oprichting van een Vastgoedkamer, was hij daar meteen van gecharmeerd. „Het museum heeft het goed aangepakt”, zegt hij. „De Kamers refereren met een knipoog aan het VOC-verleden, maar tegelijkertijd appelleren ze aan het clubgevoel. Alle leden kennen elkaar en zijn door elkaar geworven. We vinden het prettig elkaar te ontmoeten onder de kapstok van een goed doel.”

Zo’n vijf keer per jaar komen de leden bijeen, bijvoorbeeld bij zeilevenement Sail. ,,Het gaat niet altijd over cultuur, soms worden er ook bijeenkomsten georganiseerd met sprekers die iets zeggen over de vastgoedsector.”

Een andere vorm van mecenaat die de laatste jaren in zwang is gekomen, is het zogenoemde Fonds op Naam. Het Prins Bernhard Cultuurfonds is hier in 1987 mee begonnen, maar ook individuele kunstinstellingen bieden particulieren de mogelijkheid om geld via deze constructie te doneren. Het Prins Bernhard Cultuurfonds telt nu 260 zogenoemde CultuurFondsen op naam en elk jaar komen er tien tot vijftien nieuwe bij. Ook worden bestaande fondsen substantieel aangevuld.

Voormalig minister van VROM Sybilla Dekker richtte in 2008 zo’n fonds op ter nagedachtenis aan haar overleden echtgenoot, het Constant van Gestel Fonds, dat talentvolle jonge musici ondersteunt, bijvoorbeeld door een masterclass te bekostigen of een instrument. Ook de Nederlandse Fluit Academie krijgt steun. „Het voordeel van deze constructie is dat het Prins Bernhard Cultuurfonds de aanvragen binnenkrijgt en er advies over uitbrengt. Wij hebben de afspraak dat ons bestuur de eindbeslissing neemt over de toekenning”, vertelt zij.

Dekker heeft voor vijf jaar geld ingelegd, hoeveel wil ze in het midden laten. „Ik voel me geen mecenas, dat is een veel te groot woord. Het is gewoon een mooie, ideële activiteit die meer mensen zouden kunnen ontplooien. Door naar voren te treden hoop ik het goede voorbeeld te geven.”