Onzichtbaar in de witte wereld

Door de strafbaarstelling van illegaliteit komen er in één klap tienduizenden wetsovertreders bij. Razak uit Sierra Leone is een van hen. ‘Nederlanders willen weten of ik goed werk kan afleveren, verder zijn ze niet in me geïnteresseerd.’

Photo: Dirk-Jan Visser / Rotterdam 20-07-2010: Razak is een 27 jarige illegaal uit Sierra Leone die met zijn vriendin en dochter in Rotterdam woont. NB: Alleen te gebruiken in combinatie met verhaal van Sheila Kamerman.

Ik ben Razak. U kent mij niet, want ik besta niet. Al woon ik in uw land. En al is uw land ook mijn land. Ik zal er blijven tot mijn dood.

Hij draagt een zwartwollen pet met een klep over zijn lange dreadlocks. ’s Zomers en in de winter. Aan zijn rechterpols een dikke zilveren schakelarmband. Aan de bovenzijde van zijn rechteronderarm zijn zeven grote sterren getatoeëerd. De zeven dagen van de week, elke dag zijn eigen ster. De ster het dichtst bij zijn pols is rood. Dat is de zondag. Aan zijn rechterpink een brede zilveren ring met witte steen. In beide oren oorringen met kleine nepdiamantjes. Zijn rechter bovenhoektand heeft een sierjacket van goud.

Dit is Razak, 27 jaar oud, uit Sierra Leone. Hij leeft al meer dan vijftien jaar in Nederland.

Dit is het verhaal van een onzichtbare illegaal. Niet het schrijnende verhaal van de afgewezen asielzoeker, vaak met kinderen. Dat kennen we, ze halen vaak de media. Niet het verhaal van de tijdelijke illegaal die met zijn zuurverdiende geld straks teruggaat naar zijn land om daar een huis te bouwen of zijn huwelijk te betalen. Dit is het verhaal van de illegaal die is gekomen om te blijven en die zich vaak wonderbaarlijk goed redt.

Deze illegalen leven in een onbekende wereld, die toch dichtbij is. Misschien is de tomaat in uw salade wel geplukt door een illegale Marokkaan. Of snijdt in de snackbar een illegale Angolees uw patat. Het is een sobere wereld van hard werken en constante oplettendheid. Maar ook de wereld van veerkracht, doorzettingsvermogen en trots. Het is de wereld van mensen die ondanks alles voor zichzelf zorgen. Het is de wereld van mensen hier niet mogen zijn, maar toch blijven.

Ik wil weten hoe ze leven. Het lijkt niet lastig daarachter te komen. De totale groep illegalen is groot. Schattingen variëren van 65.000 tot 115.000 in Nederland. Maar naar onzichtbare illegalen als Razak is het moeilijk zoeken. Zij willen hun verhaal niet aan een journalist vertellen. Ze hebben niets te winnen bij een artikel. Mensen die een kamer aan een illegaal verhuren of ze voor hen laten werken, zijn strafbaar. Zij willen al helemaal niets met de pers te maken hebben.

Theo Miltenburg van het Rotterdams Ongedocumenteerden Steunpunt is tussenpersoon. Hij kent de wereld van de illegalen als geen ander. Razak gaat af en toe bij hem langs voor koffie en morele steun. Hij mag Theo Miltenburg bellen als hij in de problemen zou komen en die wetenschap is belangrijk voor hem. Hij vertrouwt Theo Miltenburg volkomen. Met hem erbij, wil hij wel een keer kennis maken.

Ongeveer een jaar geleden ontmoetten we elkaar voor het eerst bij het steunpunt in Rotterdam-Zuid. We spreken Engels. Razak is schuchter en afhoudend. Hij praat vooral tegen Theo. Hij wil geen problemen. Hij wil zeker weten dat het geen kwaad kan. Theo Miltenburg stelt hem gerust. Hij zegt dat het goed zou zijn als Nederlanders over hem lezen zodat ze weten dat hij bestaat. Niet alleen voor hem, maar ook voor alle andere illegalen. Aan het eind van het gesprek geeft Razak zijn mobiele nummer. Hij staat open voor een tweede afspraak.

Een week later spreken we af in café American Dream in de Rotterdamse binnenstad. Dat café is zijn keuze. We zullen er nog vele keren afspreken. In dat café, met houten banken en tafels, voelt hij zich prettig. Daar vertelt Razak over zijn leven.

Razak praat graag over zijn jeugd in Sierra Leone. Hij vertelt gedetailleerd hoe zijn dorp werd aangevallen door mannen met messen en pistolen en hoe hij in blinde paniek op de vlucht sloeg. Het dorp werd in brand gestoken. Zijn vader, een moslim, heeft hij nooit gekend. Zijn moeder, ook moslim maar bekeerd tot het christendom, was twee jaar eerder overleden. Ze was ziek. Razak woonde bij zijn oom, een alcoholist.

Na een barre tocht van weken bereikte hij met een groep andere jongens een haven. Hij was nog geen enkele keer buiten zijn dorp geweest. „Uit die haven vertrokken boten naar Europa. Ik had nog nooit van Europa gehoord. Maar ik begreep dat het mijn enige kans was op redding.”

Midden in de nacht roeide hij met vijf andere jongens in een gestolen sloep naar een boot. Hij vertelt hoe hij als jongste en als lichtste het eerst probeerde aan boord te komen. En hoe dat lukte met behulp van een lange bamboestok waaraan ze een metalen haak hadden gebonden. Hij klom naar binnen en viel over de reling. De klap alarmeerde matrozen. Ze joegen de jongens in de boot weg. Razak verstopte zich in een donkere hoek.

Het is een bizar en ongelooflijk verhaal dat Razak verschillende keren vertelt, telkens gedetailleerder. Hij spreekt zichzelf niet tegen. Het verhaal valt niet te controleren. Het is zijn verhaal. En het wordt nog ongelooflijker als hij zegt dat hij op de boot wordt ontdekt door ‘mister Jan’ als hij eten probeert te stelen in de keuken. Mister Jan verstopt hem gedurende de hele reis in een kast en brengt brood, kaas en thee. „Als ik moest plassen, deed ik dat in een fles.” Het moet zwaar zijn geweest voor een jongen. Razak zegt dat hij veel huilde. En hij bad. Dat had hij van zijn moeder geleerd.

„Toen we aankwamen in Nederland heeft mister Jan me geholpen ongezien aan land te komen. Ik kreeg van hem een biljet van vijftig gulden en een jas. Het was december. De jas was veel te groot. Ik liep op slippers. Hij regelde een taxi en zei dat ik naar de Bijlmer moest gaan. Daar woonden veel Afrikanen, zei hij. Die mensen zouden me helpen. Hij zei dat ik zijn naam niet mocht noemen als ik zou worden opgepakt.

De taxi bracht me naar Amsterdam-Zuidoost. Ik werd afgezet in een straat met winkels. Ik stond daar en huilde. Een Afrikaanse winkelier nam me mee naar binnen. Hij troostte me en zei dat hij zou proberen iemand uit mijn land te vinden. Nu weet ik dat Afrikanen elkaar altijd helpen. Al loop je in een Gucci-pak, ze ruiken het als je net uit Afrika komt. Uiteindelijk werd ik opgehaald door een Ghanese vrouw. Zij had zes kinderen en een Afrikaanse toko. Ze legde een matras op de grond in de winkel.

Ik bleef bij haar. Eerst sliep ik in de winkel, later in huis. Toen leek het alsof ik een van haar kinderen was. Maar ik ging niet naar school. Ik kan niet lezen of schrijven, behalve mijn naam. Haar eigen kinderen gingen wel naar school. Ik had daar geen vervelend gevoel over, ik vond dat ik geluk had gehad. Ik deed allerlei klusjes in de winkel. Ik vulde de vakken bij en maakte schoon. Ik vond dat normaal. Ik hielp als kind mijn moeder en oom op het land. Als je wilt eten moet je werken. Na het werk hing ik buiten rond met vrienden. Ik had alleen contact met andere Afrikanen. Ik verliet de Bijlmer nooit.

De vrouw was een soort moeder voor me. Ik had natuurlijk geen officiële documenten, maar die had ik ook niet nodig. Een metrokaart kreeg ik op haar naam. Ik vroeg geen asiel aan. Die vrouw zei dat de politie me zou pakken en ik zou worden teruggestuurd.

Ik had geen heimwee naar mijn land of mijn dorp. Er was ook niets om naar terug te verlangen. Mijn moeder en oom zijn dood. Ik ken geen andere familie. Ik had het goed in de Bijlmer. Ik ben jaren bij dat gezin gebleven.

Om sporen van het vorige leven te vinden, moeten we naar de Bijlmer. Razak heeft daar weinig trek in. Uiteindelijk gaat hij overstag. Op een winderige woensdagochtend eind maart wacht hij op de afgesproken plek in de Rotterdamse binnenstad. Zoals altijd betaal ik zijn metrokaartje naar het centrum. Hij vraagt nooit uit zichzelf om geld. Ook niet om hulp.

Razak is goedgehumeurd. Somber is hij nooit, maar de ene keer is hij opgewekter dan de andere keer. Nu heeft hij zin in het uitstapje met de auto naar de hoofdstad. Ontspannen zit hij op de passagiersstoel en vertelt over zijn dorp in het noorden van Sierra Leone. Hij behoort tot de Fula-stam, vertelt hij terwijl hij de inhoud van het dashboardkastje inspecteert. „Mijn moeder sprak Fula, ik versta het. Met mij praatte ze meestal Engels. Ze vond Fula een moslimtaal.”

Maar nu de Bijlmer. Waar moeten we zijn? Razak weet het adres niet, maar kan de flat waarin hij woonde gedetailleerd beschrijven. Het gaat om een trapsgewijs gebouwde ‘honingraatflat’ van enkele honderden meters lang. Typisch voor de Bijlmer. De afgelopen jaren zijn er veel van die hoogbouwflats gesloopt. Onderweg herinnert hij zich opeens de naam van de flat: Eeftink.

We dwalen op goed geluk door de Bijlmer. Razak komt niets bekend voor. Tot we in de E-buurt komen. Eerst herkent hij het metrostation met daarnaast de moskee. We parkeren de auto en lopen langs de African Fish and Chicken shop, het African Beauty Centre en de Afrikaanse supermarkt. „We zijn vlakbij”, roept Razak. Hij wordt enthousiast en gaat steeds sneller lopen. We gaan via een poort onder een flat door. „Om de hoek was een kinderboerderij”, zegt hij. We slaan de hoek om en de kinderboerderij is er nog steeds. „Hier stond de flat”, zegt Razak. Hij wijst naar een rijtje huizen. „We woonden op de vierde verdieping.” De flat is afgebroken, zegt een man die langs loopt. We slaan weer een hoek om en zien het laatste stuk. Nog net niet neergehaald door de slopershamer. Boven de half ingestorte ingang aan de kopse kant staat nog met grote letters: Eeftink.

We zoeken naar de parkeergarage met daarnaast een ruimte waar Razak elke zondag een kerkdienst bijwoonde. De Ghanese dominee wist dat hij illegaal was. „In de kerk werd geld ingezameld voor mij. Dat kreeg de vrouw die voor mij zorgde.” We vinden een parkeergarage die er precies op lijkt, maar Razak weet niet meer zeker of die het was.

De dominee van Razak werkt nog steeds in de Bijlmer. Hij wil niet met een journalist praten. Razak belt hem nog steeds af en toe. Voor morele steun als het leven hem zwaar valt. Voor veel christelijke illegalen zijn de migrantenkerken bakens in een onzeker bestaan. Als christen laat je de medemens niet verkommeren, vinden ze. Maar migrantendominees spreken dat niet graag hardop uit. In Rotterdam zijn ongeveer 150 migrantenkerken, in Utrecht 30. Alleen in de Amsterdamse Bijlmer zijn er al naar schatting 135. Ze zijn niet altijd zichtbaar voor buitenstaanders, soms gevestigd in kerkgebouw maar vaak ook in een woonhuis, een hal of in een parkeergarage. Razak gaat in Rotterdam bijna elke zondag naar een kerk van de Pinkstergemeente.

Vroeger zag je hier alleen zwarte mensen, zegt Razak terwijl we in zijn oude buurt rondlopen. „Geen enkele witte. Als je een wit iemand zag, was die niet helemaal lekker.” We gaan eten bij de Döner Kebab. Razak neemt 10 chicken wings en een AA-drank.

Hij wordt gebeld. Voor het eerst hoor ik hem Nederlands spreken. Opgepikt op straat, zegt hij. Hij spreekt liever Engels. Hij lacht.

Op de terugweg vertelt Razak over zijn grote voorbeeld: Shaka Zoeloe, een Afrikaanse koning. Begin negentiende eeuw veroverde Shaka met de door hem verenigde Zoeloe-stammen een groot gedeelte van Zuid-Afrika. Razak heeft een set van drie films van deze machtige man en heeft die ontelbare keren bekeken. Het allerliefst zou hij een leider willen zijn als Shaka Zoeloe. Maar een eigen kapperszaak is ook goed.

„Ik hou van knippen en vlechten. Ik leerde het als kind een beetje van mijn oom. Die was kapper. Ik keek toe als hij werkte. Ik had daar later plezier van. In de Bijlmer vlocht ik al het haar van mijn vrienden in. Later leerde ik dreadlocks te zetten. Ik doe alleen mannen. Als je vrouwen doet ben je homo.

In de winkel in de Bijlmer zag ik Angelina voor het eerst. Een Ghanees meisje uit Rotterdam. Zij kwam iets kopen en ik was aan het werk. Ik vond haar prachtig. Ze kwam naar de Bijlmer voor de Afrikaanse feesten. Op zo’n feest zag ik haar weer. Ik ben met haar gaan praten. Ik was toen een jaar of 18, denk ik. Zij vond mij ook leuk.

Razak besluit in 2003 te verhuizen naar Rotterdam. Hij trekt in bij zijn vriendin die een appartement deelt met twee van haar vijf broers. Haar ouders zijn teruggegaan naar Ghana, Razak heeft hen nooit gezien. Vanaf dat moment moet hij voor zichzelf zorgen. De juiste contacten blijken essentieel om te overleven.

Razak praat vaak over vrienden. Eén keer neemt hij een vriend mee naar het café in Rotterdam waar we hebben afgesproken. Een slanke, donkere jongen met een ongeïnteresseerde blik die thee bestelt en verder niks zegt. Hij komt ook uit Sierra Leone, zegt Razak. „Hij is legaal. Hij kreeg een verblijfsvergunning tijdens een generaal pardon.”

Als we op straat lopen, ziet hij telkens bekenden. Die geeft hij dan een boks en zegt: ‘Bless man’. Hij kent veel mensen, zegt hij. Hij heeft een voorkeur voor landgenoten uit Sierra Leone, maar zoveel zijn dat er niet, zegt hij. Zijn vrienden zijn wel altijd Afrikanen. „Die helpen elkaar.”

Uit de verschillende gesprekken die we hebben rijst het beeld van een uitgebreid netwerk van goede tot schimmige contacten. Heeft iemand wat nodig dan kent hij wel iemand die weer iemand kent die kan helpen. Aan een baantje bijvoorbeeld. Werkgevers die illegalen zonder papieren laten werken zijn de laatste jaren schaarser geworden. De boetes zijn hoog. Illegalen zonder papieren werken vooral bij particulieren, in de schoonmaak en de kinderopvang. En in de tuinbouw.

Identiteitsdocumenten, om zogenaamd legaal te werken, kunnen ook worden geregeld. Valse papieren zijn kostbaar en niet altijd goed nagemaakt. De meeste illegale vrienden van Razak werken op het paspoort van een ander. Razak leende een paspoort van een legale Ghanees en vond werk als schoonmaker in een alcoholfabriekje. Hij reinigde de buizen en tanks van de machines.

Zijn baas was een autochtoon. Razak: „Ik had weinig contact met witte Nederlanders. Ze willen weten of ik goed werk kan afleveren, verder zijn ze niet in me geïnteresseerd. Ik ben ook niet in hen geïnteresseerd.” Eenderde van zijn salaris gaf hij aan de eigenaar van het paspoort. „Het gaf niet. Ik had een vriendin, ik had geld. Afrikanen houden van geld.”

Na twee jaar vindt hij een leukere baan. Hij gaat werken in een Afrikaanse kapsalon in Rotterdam-Noord. Hij verdient 150 euro per week. Hij knipt, vlecht en zet dreadlocks bij Afrikaanse mannen, meestal Surinamers, Antillianen, Dominicanen. Soms ook iemand uit zijn eigen land.

Angelina heeft er in die periode weinig moeite mee dat haar vriend illegaal is. Zij zit nog op school. Hij werkt. Veel geld komt er niet binnen, maar het is genoeg. Ze praten over trouwen. Haar broers vinden het vanaf het begin niks. „Ze willen een legale Nederlander voor hun zusje”, zegt Razak.

„Op 18 maart 2008 werd onze dochter Elysa geboren. Maar ik noem haar Nandy, naar de moeder van Shaka Zoeloe. Voor het eerst had ik weer familie. Het leven voelde goed. Ik was niet bang.”

„Op 24 oktober 2008 stapte een man in een grijs pak de kapperszaak binnen. Hij vroeg om identiteitspapieren. Ik kon niets laten zien en gaf een valse naam op. De politie werd gebeld, ze kwamen met twee man en ik moest mee. Ze brachten me naar de detentieboot in Rotterdam. Ik werd opgesloten in een cel met nog een andere jongen. Twee keer per dag konden we buiten rondwandelen in een grote kooi op het dek. Mijn leven stortte in.”

Zo snel kan het misgaan. Een illegaal is nooit veilig. Razak kreeg voor het eerst een geboortedatum. Van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) krijgt iemand die niet weet hoe oud hij is een fictieve datum. Die is altijd of op 1 januari óf op 1 juli. Die van Razak werd: 01/07/1983. Razak denkt dat hij jonger is. De IND denkt dat hij met Kerst 1995 in Nederland aankwam. Hij moest asiel aanvragen. Die aanvraag werd vrijwel direct afgewezen.

In de maanden dat hij vastzat, heeft de IND geprobeerd om hem uit te zetten. Drie keer werd hij naar de ambassade van Sierra Leone gebracht. Het land van herkomst moet de persoon als onderdaan erkennen en reispapieren geven. Sierra Leone werkte niet mee. De IND denkt, zegt Razak, dat hij uit een ander land komt. Razak zweert bij God dat hij echt uit Sierra Leone komt.

Na acht maanden werd hij overgeplaatst naar de vreemdelingenbewaring in Zaandam. Daar hing hij zichzelf op in de douchecel met een waszakje van nylon aan de chiffon van de wastafel. Hij werd wakker in het ziekenhuis. Soms is zo’n daad voor illegalen een ultieme poging om papieren te krijgen. Razak wilde echt dood. Uit het psychiatrisch verslag: ‘Kon nog maar net op tijd worden gered, het bloed stroomde reeds uit zijn mond.’ Na herstel werd hij overgebracht naar de forensische observatie en begeleidingsafdeling in Amsterdam, voor gevangenen met psychische problemen. Razak kreeg er medicijnen voor zijn depressie.

Op 15 augustus 2009 werd hij op straat gezet. Met antidepressiva voor een week. Zo gaat dat vaker. Vreemdelingen die niet weg kunnen, kan je niet eeuwig vasthouden. ‘Misschien moet je het in België proberen’, zei een bewaker. Maar Razak wilde in Nederland blijven vanwege zijn dochter. „Ik ga nooit weg zonder haar. Zij is het enige bloed dat ik heb.”

We kennen elkaar acht maanden als Razak me meeneemt naar het huis van zijn vriendin. Een kleine etage in Rotterdam op de eerste verdieping. Angelina zit in de voorkamer op de bank naar een Amerikaanse soapserie te kijken. Ze vlecht kleine vlechtjes in het haar van haar dochtertje. Het meisje is met het hoofd op haar schoot in slaap gevallen.

De kamer is vol. De vloerbedekking versleten. Er staat een tafel vol boeken en papieren tegen de muur. Twee banken en een salontafel. Een babybox met plastic speelgoed. Een vensterbank vol fotolijstjes. Op de salontafel een plastic kassa, een driewieler, een prinsessentafeltje en bijpassend stoeltje. Aan de muur foto’s van Razaks vriendin in uitdagende poses in strakke jurkjes en zijn dochtertje in een jurkje met ruches.

De achterkamer is de slaapkamer, het tussenkamertje is van Elysa. De witte kledingkast die past bij de commode puilt uit van de jurkjes. „Ik vind het leuk haar mooi aan te kleden”, zegt Angelina.

Hij heeft zijn oude leven opgepakt. Maar de angst om opgepakt te worden, drukt op hem. Hij durft niet in een kapperszaak te werken. Voor 10 euro per knipbeurt komt hij aan huis. Via vrienden en bekenden werft hij klanten. Het levert hem onregelmatige inkomsten op. Werken op het paspoort van een ander vindt hij nu te riskant.

Dat het kabinet-Rutte illegaliteit strafbaar gaat stellen, heeft hij gehoord. Hij haalt er zijn schouders over op. Hij denkt niet dat het in de praktijk voor hem iets uitmaakt. Hij gaat wel naar buiten, maar hangt niet meer op straat met vrienden. Hij is te bang dat er politie langskomt en denkt dat hij dealt. In de metro checkt hij altijd in. De gedachte dat hij wordt aangehouden voor zwartrijden, vindt hij onverdraaglijk. Maar het moeilijkst zijn de problemen die hij sinds zijn vrijlating heeft met zijn vriendin.

„Ze vindt dat ik op haar zak teer. Zij studeert voor apothekersassistent. Ik kan haar financieel nauwelijks helpen. Zij betaalt de huur alleen. Ik vind dat ook vreselijk. Het liefst zou ik hele dagen werken. Ik vind dat een man voor zijn gezin moet zorgen. Vroeger kocht ik alles voor mijn dochter. Wat ik verdiende, gaf ik aan haar uit. Kleine babygympjes. Jurkjes. Een babykameruitzet, een driewieler, alles. Als ik nu geld heb, koop ik iets voor haar.

Trouwen kan niet, Angelina moet daarvoor een inkomen van minimaal 1.400 euro hebben. Maar ik vraag me ook af, of ze nog wil. Ik slaap twee of drie nachten per week bij mijn vriendin. Als we ruzie hebben, ga ik weg. Ik wil niet agressief worden. Dan slaap ik bij vrienden. Er is altijd wel ergens plaats voor mij. Ik zwerf van de een naar de ander. Maar ik ga vaak naar mijn dochter. Soms neem ik haar mee, naar het park of zo. Ik zorg graag voor haar. Haar luier verschoon ik ook.”

Razak tilt zijn slapende dochtertje van de bank. Hij probeert haar wakker te schudden zodat ze kan lachen naar de fotograaf. „Nandy! Pose, pose!” Het lukt niet. Het meisje slaapt door. Hij kust haar.