Omringd door vrienden, zoals elke Maandag

Vandaag wordt Harry Mulisch, die vorige week op 83-jarige leeftijd overleed, begraven. Cees Nooteboom over 55 jaar vriendschap, Mulisch’ heldere blik en de paradoxen die de kern van zijn leven en schrijverschap waren.

Dat Harry Mulisch geen angst voor de dood had werd zijn vrienden in de laatste maanden van zijn ziekte, waarvan hij de afloop tot in de laatste details met zijn artsen had besproken, op soevereine manier duidelijk. Het was een beetje zoals het einde van Het Symposion, Sokrates omringd door zijn vrienden, en hier waren het de vrienden van de Maandagavond, waarop we altijd in een Amsterdams restaurant gingen eten. Nu was het niet meer in een restaurant, maar bij hem thuis. Mulisch het middelpunt van de kring zoals altijd, rechtop in een grote stoel, zijn vrouw bij hem, een klein infuus dat als een bijna-sieraad ergens in de lucht hing, hijzelf uiterst alert, deelnemend, luisterend, een glas wijn, gesprekken over de wereld, herinneringen.

Voor ons, de anderen, was daar natuurlijk de schaduw van de ziekte, en de dood daarachter, maar in wezen liet hij dat in de gesprekken niet toe, zijn wereld was een nog altijd door hem geordende wereld, en voor een sentimenteel afscheid waren die uren niet bedoeld. Het was Maandag, en dan kwamen we samen. Altijd, dus ook nu.

Hij was zes jaar ouder, dat generatieverschil zou er in 55 jaar vriendschap altijd blijven. Met twee anderen, Reve en Hermans, vormde hij, ondanks onderlinge verschillen en vijandschappen, een triumviraat, waaraan niet viel te ontkomen, tenzij door volstrekt je eigen gang te gaan. Ook ik had de oorlog meegemaakt en in die oorlog mijn vader verloren, ook nog één generatie verder was men nog door de oorlog gemarkeerd. Politiek waren wij zeer verschillend, ik was in Boedapest in 1956 waar ik voor mijn gevoel het ware gezicht van het communisme gezien had, zijn hart trok naar het Cuba van Castro, die hij zag als een belichaming van de rechtvaardigheid in de wereld. Onze vriendschap heeft daar nooit echt onder geleden.

Als schrijver kwam hij in die vroege jaren met het ene verrassende boek na het andere, alsof er een paradijsvogel uit vreemde gebieden in de realistische eendenvijver was neergestreken.

Men moest zeer aan hem wennen, en als dat proces hem te lang duurde legde hij nog maar eens uit met wie ze te doen hadden: „Ik ben een groot schrijver, daar helpt geen moedertjelief aan.”

Dat soort dingen mag je in de polder niet hardop zeggen, en toen hij zich niet alleen met natuurwetenschappen, maar ook nog met esoterische zaken ging bezig houden, met Athanasius Kircher en Hermes Trismegistus, kabbala en gnosis, daarbij onverstoord en on-Nederlands goed gekleed door de Amsterdamse polis wandelde met een gerucht van grootscheepse Don Juannerie om zich heen, en zich tegelijkertijd een sportwagen veroorloofde en zich met Provo links opstelde en het vaderlandse regentendom hekelde in zijn Bericht aan de Rattenkoning, was de maat vol. Hele schotschriften werden aan hem gewijd die hij soeverein naast zich neerlegde terwijl hij jaar na jaar boek na boek van een onderling zeer verschillend en daardoor soms kameleontisch oeuvre publiceerde.

Vervolg Mulisch is niet dood: pagina 2

Volgens zijn eigen theorie is Harry Mulisch niet dood

Iemand die dood is kan niet zeggen dat hij dood is. In die zin is Harry Mulisch volgens zijn eigen theorie niet dood. Hij had dat in een interview uit 2002 heel helder uiteengezet: „Angst voor de dood heb ik niet. Ik zal nooit naar waarheid de zin kunnen uitspreken: ‘Ik ben dood’. Want dan ben je dood. Dood ben je alleen voor de omstanders, die zeggen: ‘Nu is hij dood’. Maar voor zichzelf is hij dat niet, want hij is dood. Hij is niets meer. Dus waar je tegen op kunt zien is de manier van sterven.”

Een paradox, dit alles? Misschien, maar ook daar had hij een antwoord op: „Ik heb de paradox nooit als paradoxaal ervaren. De paradox is niet alleen de kern van mijn leven, maar van het heelal.”

Mulisch was een man van grote consequentie. Hij wist een ingewikkelde situatie, zoals het hebben van een joodse moeder en een met de bezetter collaborerende Oostenrijkse vader, in een korte, maar veelzeggende autobiografische zin samen te vatten: „Ik ben de tweede wereldoorlog”, een zin die dezer dagen weer veel geciteerd is.

Een deel van de paradox was dat hij jarenlang kon werken aan wat hij zijn ‘magnum opus filosoficum’ zou noemen, De Compositie van de Wereld, maar daarna dan weer een bestseller schrijven als De Aanslag of De Ontdekking van de Hemel, waarbij een Dan Brown zijn vingers zou aflikken. Zelf had ik een voorliefde voor sommige van de ‘kleinere’, tussen het grote geweld bijna verborgen boeken uit zijn werk, het aan de waanzin rakende archibald strohalm, het geheimzinnige Oude Lucht, Het Zwarte Licht, Mijnheer Tienoppen, Voer voor Psychologen.

Na een lang leven zijn er vele herinneringen, en op dit ogenblik denk ik aan die eerste, ooit in Haarlem, dat hij door allerlei verhalen tot een mythische stad gemaakt had, waarin de normale wereld eigenlijk geen plaats had. De stad waarin hij ooit een melkboer aanvloog omdat die zijn hond mishandelde, waarop de melkboer hem neersloeg en een SS’er hem van de straat optilde en riep „Bravo Bursche”.

Daarna kwamen de tijden waarop wij avond aan avond verkeerden in de salon van een oude dichter, Ed Hoornik, die Dachau overleefd had, en waar als in een exorcistisch ritueel de oorlog opnieuw werd beleefd in gesprekken, liederen en films. Die fascinatie is altijd gebleven. Daaruit is niet alleen zijn briljante boek over Eichmann voortgekomen, De zaak 40/61, maar natuurlijk ook De Aanslag, en vooral ook zijn overtuiging dat het aandeel van de Russen en de offers van miljoenen doden die Rusland in de Tweede Wereldoorlog gebracht had, nooit de volle erkenning gekregen hadden.

Ook herinner ik me onze gezamenlijke reis naar Israël, waar we het alweer niet eens waren, maar ik begreep dat er op dit punt met hem nooit te spreken zou zijn, daarvoor zaten de gevoelens te diep; de oorlog was en bleef het ijkpunt, het was ook het onderwerp van het ene boek dat hij had willen schrijven en dat er nooit is gekomen, omdat de werkelijkheid zich op dat punt niet liet verslaan – het boek waarin verteld moest worden hoe het geweest zou zijn als Hitler de oorlog wél gewonnen had, de Ontdekking van Moskou.

Een van zijn bekendste uitspraken was „het beste is, het raadsel te vergroten”. Ik denk dat hij dat zijn leven lang gedaan heeft, want wie zegt dat de paradox de kern van zijn leven is, kan en wil nu eenmaal ook niet anders. Met die paradox blijven zijn lezers en zijn vrienden achter. Natuurlijk hebben wij gedacht dat wij hem kenden, en misschien was dat ook wel zo. Maar achter degene die we kenden, met wie we hebben gelachen, gedronken en gereisd was er altijd nog een andere, geheimzinnigere Harry, een die zijn boeken schreef en aan tafel ineens over of door je heen kon kijken alsof hij in de verte iets of iemand heel anders zag, iemand die plotseling opdoemde uit wat hij ooit de tegenaarde noemde, en die wij niet konden zien.

Een eerste beeld, een lange, enthousiaste jonge man in een kamer in Haarlem, die de nieuwe jonge schrijver die net zijn eerste boek geschreven heeft met hoffelijke hartelijkheid ontvangt.

Daarna meer dan een halve eeuw boeken, vrienden, vrouwen, doden. En dan het laatste beeld, diezelfde man, die voor het bezoek van zijn ziekbed is opgestaan. Hij heeft een paars hemd aangetrokken, hij ontvangt. Zijn blik is helder als altijd, het is een monsterende blik, waarin de vrienden gezien worden, de wereld gewogen. Tot het laatst.