Niets dan tweedracht

Het Nederlandse verleden bindt niet. Er was altijd ruzie. De eensgezindheid is een mythe. Dirk Vlasblom

Nederlanders leven tussen versteende geschiedenis: stadhuizen, stadswallen, paleizen en middeleeuwse kerken. Maar ze hebben weinig op met hun verleden.

De politiek beschouwt historisch besef als een nationaal bindmiddel en zag dat cement de laatste decennia verkruimelen. Dus moest er een canon van de Nederlandse geschiedenis komen. Maar nu vermindering van het begrotingstekort nationale prioriteit nummer één is, krijgt het met veel bombarie aangekondigde Nationaal Historisch Museum geen eigen gebouw. Het moet een tijdelijke expositieruimte huren in de Amsterdamse Zuiderkerk. En dat na een ware veldslag om de vestigingsplaats.

Is dat erg?

Dat kennis van het verleden een band schept tussen Nederlanders is een misverstand, zeggen historici uit binnen- en buitenland. Daarvoor is die vaderlandse geschiedenis te veel een verhaal van verdeeldheid: tussen kerkgenootschappen, tussen gewesten, tussen elites en tussen sociale groepen. En het heersende nationale zelfbeeld – vreedzaam en verdraagzaam – klopt niet.

Dit najaar verscheen een fraai geïllustreerd Engelstalig themanummer van de Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden. Daarin presenteren Nederlandse historici aan hun buitenlandse collegae onderzoek dat ze van grensoverschrijdende betekenis vinden. Zoals studies van het prille kapitalisme in de Middeleeuwse Lage Landen, de zeventiende-eeuwse Republiek als bakermat van de Verlichting en, niet te vergeten, het Nederlandse imperialisme. Voer voor vakgenoten, maar dat niet alleen. In zijn inleiding gaat Willem Frijhoff, emeritus hoogleraar in de vroegmoderne geschiedenis aan de Vrije Universiteit, in op het verband tussen het zelfbeeld van de Nederlanders en hun verleden.

SAAMHORIG

‘Nederlanders’, schrijft Frijhoff, ‘hebben zich aangewend om zich hun samenleving voor te stellen als vreedzaam, evenwichtig, saamhorig en eensgezind, geweldloos, democratisch en verdraagzaam. Kortom, een samenleving zonder geschiedenis in de heroïsche of wrede zin van het woord.’ Hij laat zien dat dit collectieve zelfbeeld niet realistisch is. Zeker niet in het licht van recent onderzoek naar belangrijke episodes in de Nederlandse geschiedenis, van de Opstand tot de Tweede Wereldoorlog.

Frijhoff is met zijn 68 jaren formeel ‘uitgediend’, maar hij reist nog steeds de wereld af, van het ene seminar naar het andere. Hij is opgeleid in de Franse Annales-school. Die legt zich niet toe op politiek en oorlogvoering, maar op de wereldbeelden van sociale groepen. Frijhoff geldt als pionier van de ‘mentaliteitsgeschiedenis’ in Nederland. Aan hem de vraag wat voor relatie de Nederlanders hebben met hun geschiedenis.

“Dat is een lastige”, zegt hij thuis in het Rotterdamse Hillegersberg, “maar ik heb er wel een idee over. Nederlanders beleven hun identiteit meer in de tegenwoordige tijd – door gedrag en ritueel – dan in verhalen over geschiedenis. Ze hebben geleerd om aan die geschiedenis niet te veel belang te hechten als cement van hun eenheid. Want zodra je ernaar gaat kijken, zie je niets dan tweedracht: religieus, staatkundig, noord tegenover zuid, oost tegenover west, elite tegenover niet-elite. Sinds het ontstaan van een onafhankelijke staat bestond de Nederlandse samenleving uit een veelheid van min of meer autonome groepen: steden, provincies, kerkgenootschappen, ideologische en politieke facties en rivaliserende instellingen. Die moesten onderhandelen en overeenstemming bereiken over de vorming en instandhouding van een werkbare staatsvorm. Nederlanders hebben nooit geleerd de geschiedenis als eenheid of als bindende factor te zien. Toen dat in de negentiende eeuw werd geprobeerd, viel het geschiedbeeld alras uiteen in een katholieke en een protestantse versie.”

HELD

Daar komt bij, zegt Frijhoff, dat in Nederland verschillen in waardering worden weggepoetst. “We hebben maar een enkele held, zoals Michiel de Ruyter. Willem van Oranje is een abstract personage, daar kan niemand zich meer iets bij voorstellen. Erasmus is ook zo’n mythologische figuur: toonbeeld van democratie en tolerantie, heet het. Het zal wel, denk ik dan. In Frankrijk en Duitsland had je vorsten, grote literatoren. Vondel heeft hier nooit de status gehad die Goethe in Duitsland heeft. Dat heeft te maken met die gerichtheid op consensus. Wil je het leefbaar houden in een klein land met grote verschillen, dan moet je je oefenen in evenwichtskunst en onderhandelen.”

Bovendien blijft de staat in Nederland iets vaags. “Engeland is al duizend jaar een koninkrijk, Frankrijk nog langer. Spanje, ook zoiets ouds. De Nederlandse staat, die begint als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, heeft niets mythisch. Het zijn bestuurders die dingen min of meer efficiënt regelen. Met veel verbaal geweld, maar niet met veel sociale legitimiteit. De legitimatie ligt ook niet in het verleden. Bijna niemand weet wanneer onze eerste grondwet is ingevoerd [in 1798, DV]. En dan praat ik niet eens over de Unie van Utrecht [1579, toen de zeven noordelijke gewesten zich verenigden]. Dat zijn de fundamenten van de Nederlandse staat, maar die leven niet. Het is een staat die zichzelf steeds opnieuw uitvindt en die zijn identiteit in het heden zoekt.”

Frijhoff maakt een onderscheid tussen geschiedenis als ‘verhaal’ – de collectieve herinnering – en als ’verleden’ – het domein van de professionele geschiedschrijving. Recent wetenschappelijk onderzoek geeft nieuw inzicht in de ingewikkelde relatie tussen verleden en herinnering. Frijhoff noemt enkele episodes uit de geschiedenis waarover Nederlanders doorgaans een vertekend beeld hebben, of lang hebben gehad.

De Nederlandse opstand tegen het Habsburgse gezag (1568-1648) is vooral verteld als een verhaal van heldhaftige en vrome vrijheidsstrijders, met natuurlijk een enkele verliezer. Een collectieve strijd voor de vrijheid van staat en godsdienst, gelegitimeerd door de geboorte van de nieuwe natie. Frijhoff: “De Opstand is het funderende verhaal van de Republiek geweest en dat is natuurlijk geënt op de twee overwinnaars: de Staten en de gereformeerde kerk. Vanaf het begin van de Opstand was er een alternatieve stroming, de katholieken, en iets later ook de remonstranten, die er hun eigen verhaal over zijn gaan vertellen, wat uitgelopen is op die verzuilde geschiedschrijving. Pas sinds die doorbroken is, zien we het anders.

BURGEROORLOG

“Mijn collega Henk van Nierop heeft dat prachtige boek geschreven, Het verraad van het Noorderkwartier (1999), waarin hij laat zien dat wij hier een heuse burgeroorlog hadden. En niet alleen in Noord-Holland. Ik kom zelf uit het oosten, uit Zutphen. Daar stond nog tot 1630 het ‘Spaanse’ leger voor de deur en dat bestond voor bijna de helft uit Nederlanders. Die oorlog ging alsmaar door. In 1629 namen de Spanjaarden Amersfoort nog een keer in en toen werd Amsterdam doodsbenauwd. Het idee dat we vanaf het begin van de opstand vrij en onafhankelijk waren, is een Hollands-Zeeuwse mythe die elders helemaal niet opging. En dat wij nooit burgeroorlog hebben gekend, is een grote misvatting.”

Nationale identiteit heeft een binnen- en een buitenkant: zelfbeeld en imago. De Duitse historicus Michael North, verbonden aan de universiteit van Greifswald, beziet de Nederlandse geschiedenis van buitenaf. Hij schreef in 1997 Geschichte der Niederlande, dat in 2008 in Nederlandse vertaling verscheen. North aan de telefoon: “Mijn versie van de Nederlandse geschiedenis is in Duitsland tweemaal herdrukt. Toen ik de eerste editie schreef, stelde ik in mijn slotwoord dat de Duitsers zouden kunnen leren van het Nederlandse poldermodel, zoals het Akkoord van Wassenaar [1982] tussen werkgevers en vakbonden. De tweede editie verscheen in 2004 en daarin moest ik melden dat ‘Wassenaar’ niet langer werkte en dat Pim Fortuyn was vermoord. Voor de derde editie in 2007 moest ik het nawoord opnieuw herschrijven, want toen was Theo van Gogh omgebracht en moest ik aandacht besteden aan de opkomende anti-islamsentimenten en de controverse over immigratie. Die kwesties speelden voordien geen rol in het publieke debat, niet in Nederland en ook niet in Duitsland, waar men nog steeds opgaf van de Nederlandse tolerantie. Binnenkort verschijnt de vierde editie, en dan moet ik aandacht besteden aan politici die niets hebben geleerd.”

Nederlanders doen er goed aan, zegt Willem Frijhoff, om zich te bezinnen op het beeld dat ze zelf hebben van hun geschiedenis. “Het grote verhaal dat we elkaar al eeuwen vertellen, gaat over het calvinisme, over ons idee dat wij het meest democratische, het meest tolerante land van de wereld zijn. Dat bleek nog vorig jaar toen de komst van Henry Hudson naar Amerika en de stichting van Nieuw-Amsterdam werden herdacht. Daar zei de Prins van Oranje het zelf: ‘de tolerantie komt uit Nederland’. Dat is een nationale mythe geworden. Wat is tolerantie precies? Is het iets ideologisch, iets in de politieke structuur? Is het gedogen? De algemene opvatting is dat wij mensen in hun waarde laten, makkelijk bij ons toelaten. Voor een deel is dat waar, maar met heel veel mitsen en maren.”

MINDERHEID

In de Republiek hadden katholieken geen formele rechten; ze werden dus, in hedendaagse termen, gediscrimineerd. Toch stonden ze hun mannetje. Frijhoff: “Katholieken maakten zo’n 40 procent uit van de bevolking. Ze waren niet allemaal zo arm als vroeger werd beweerd vanuit het idee van een meelijwekkende minderheid. Sommigen waren rijk. Ze hadden op allerlei manieren invloed en het heeft heel lang geduurd voordat ze overal waren uitgegooid. Hoe mensen hier met elkaar omgingen, is in het buitenland heel lastig uit te leggen, want het berustte niet op een formeel arrangement. Het was een gedoogconstructie.”

De Amerikaanse historicus Benjamin Kaplan is hoogleraar vroegmoderne geschiedenis aan het University College in Londen en aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft veel gepubliceerd over het samenleven van religieuze groepen in de Nederlandse Republiek, maar hij is, gezien de jongste tendens om geschiedenis te politiseren, huiverig voor generaliseringen. Vanuit Londen vertelt hij: “Ik heb ooit een artikel geschreven over ‘de mythe van de Nederlandse tolerantie’. Ik wil niet beweren dat er geen vormen van tolerantie werden gepraktiseerd in de Nederlandse Republiek, maar er is meer aan de hand. Wie de Nederlanders een verdraagzaam volk noemt, verheft tolerantie tot een nationale eigenschap, en dat is mythologie. In de Republiek van de 17de en 18de eeuw was de gereformeerde (calvinistische) kerk een publieke kerk en officieel hadden alleen calvinisten rechten. De Republiek was een vroegmoderne, hiërarchisch geordende samenleving en daarin waren verschillende groepen per definitie ongelijk, en dat gold niet alleen voor kerkgenootschappen. De posities en rechten van mensen waren gedefinieerd door de groep waartoe ze behoorden. Dat resulteerde in wezenlijk andere vormen van tolerantie dan wat we daar nu onder verstaan in West-Europa en de VS.”

Kaplan legt uit dat de veelgeroemde vrijheid van geweten, die was vastgelegd in de Unie van Utrecht en in andere officiële documenten van de Republiek, niet strookte met de katholieke definitie van gewetensvrijheid. “Volgens de kerkelijke leer genoten katholieken er geen vrijheid van geweten. In hun theologie betekende dit namelijk de vrijheid die mensen verkrijgen door vergeving van zonden (absolutie), en dat kon alleen door middel van het sacrament van de biecht. Dat werd hun officieel ontzegd, omdat priesters hun ambt niet vrijelijk mochten uitoefenen. De katholieken waren, zacht gezegd, niet gelukkig met de situatie. Zeker niet omdat de calvinisten het uitsluitende gebruiksrecht hadden opgeëist van wat de katholieken als hun kerken beschouwden.”

BUITENKANT

De fameuze ‘schuilkerken’ in de Republiek waren het duidelijkste voorbeeld van gedoogbeleid. Kaplan: “Geheim waren ze niet. Want hoe kunnen buren of magistraten niet merken dat er honderden mensen op hetzelfde moment naar één gebouw stromen en dat een paar uur later weer verlaten? Aan de buitenkant waren er geen symbolen te zien die ze markeerden als kerkgebouwen. Ze hadden geen torens, geen kruisen en er werden ook geen klokken geluid. Dat was heel belangrijk. Het was misschien alleen symbolische onzichtbaarheid, maar dat was voldoende. Zo konden de uitoefenaren van het gedoogbeleid de andere kant uitkijken en konden de calvinisten doen alsof ze niet toestonden wat ze in werkelijkheid wél toestonden.”

Sinds het debat over het ‘multiculturele drama’ in 2000 begon, suggereren critici van het multiculturalisme dat de immigratie van de afgelopen decennia de consensus over kernwaarden in Nederland heeft verbroken. Volgens Frijhoff heeft die consensus nooit bestaan. “Nederland is geen eenheidsland wat de waarden betreft, het is een eenheidsland als het aankomt op houdingen. Nederland bleef bij elkaar door de manier waarop wij omgingen met die verschillen. Dat neemt niet weg dat de kernwaarden heel verschillend kunnen zijn.”

Toch werden die verschillen, zegt Frijhoff, zelden op de spits gedreven. “Neem de martelaren van Gorcum [de 19 katholieke religieuzen en priesters die door de Geuzen in 1572 werden opgehangen in Den Briel, DV]. Op zeker moment is geopperd die heilig te verklaren. Dat is zowel door de katholieke elite als door Rome lang afgehouden met het argument: rustig aan, dit drijft de zaak op de spits. Die martelaren zijn pas in de negentiende eeuw heilig verklaard. Drie eeuwen na hun dood. Hetzelfde geldt voor Balthasar Gerards, de moordenaar van Willem van Oranje. Er was een aantal heethoofden dat hem heilig wilde verklaren. Van alle kanten is toen gezegd: voorzichtig, niet doen.”

Die ‘pacificatie’ was niet alleen een zaak van elites, meent Frijhoff. “Er waren religieuze verschillen, maar in de dagelijkse omgang werden die tussen haakjes gezet. Ik noem dit omgangsoecumene. Er zijn domeinen in de samenleving, en dat zien we al in de zeventiende eeuw, waar mensen welbewust niet ingaan op verschillen. We hebben getuigenissen over omgangsvormen in de postkoets en – vooral – in de trekschuit. Daar moest je jezelf inhouden en zorgen dat de algemene consensus, tolerantie zeg maar, bewaard bleef. Dat hebben we vanouds geleerd hier, hoewel dat niet in regels was vastgelegd. En dat sociale mechanisme werkt nog steeds.”

Er waren ook momenten dat de verschillen wel degelijk op de spits werden gedreven, en dat is in latere geschiedschrijving verdoezeld. Zo werd de moord op de gebroeders De Witt in 1672 toegeschreven aan ongeregeld ‘gepeupel’, terwijl daar vooraanstaande burgers aan meededen.

PLUNDERINGEN

Frijhoff: “Of neem de Bataafse revolutie, die pas werd beklonken met de Franse inval in 1795 en sindsdien ‘fluwelen revolutie’ is gaan heten. Onaangename kanten als doden, massale plunderingen, verwoestingen en verbanningen zijn weggewuifd. Buitenlandse historici als Robert R. Palmer en Simon Schama hebben het Nederlandse beeld van die periode bijgesteld. Die bleek uitgesproken gewelddadig, vooral de reactie van de orangisten [aanhangers van stadhouder Willem V]. Een promovendus van mij, Wim Knoops uit Rotterdam, schrijft een dissertatie over ‘Gouda 1787’. Daar waren eerst de patriotten aan de macht, maar die werden vervolgens verdreven door de orangisten. Knoops keek hoe die machtswisseling in zijn werk ging, en dat hou je niet voor mogelijk. Huizen werden systematisch kapotgeslagen, mensen werden gemolesteerd, er vielen doden. De orangisten gingen met lijsten rond waarop stond van welk huis alleen de ruiten moesten worden ingegooid en welk pand totaal geplunderd moest worden. Het was een systematische poging om de tegenstander te vernietigen. In de beeldvorming over die periode is dat verdrongen. Patriotten werden beschouwd als heethoofdige kleinburgers, terwijl de ‘echte’ Nederlanders Oranjeklanten waren. En dat beeld heeft het koningshuis vanaf 1813 alleen maar gestimuleerd.”

Geschiedenis is voor ons een verhaal van verdeeldheid, soms zelfs van haat en nijd. We hebben geen duidelijke gecanoniseerde staatsidee; we kennen onze eigen Onafhankelijkheidsverklaring en Magna Charta niet eens. En dan besluit de politiek om van geschiedenis een beleidsinstrument te maken.

Frijhoff: “De staat zag het gevoel van eenheid langzamerhand wegglippen en zocht naar een instrument dat alles weer bij elkaar zou brengen. Maar dat is in de Canon van Nederland niet gebeurd. Het zuiden is eruit gelaten, het oosten komt er nauwelijks in voor, het is toch weer een vanuit Holland gedacht verhaal. Gelukkig wordt zo’n canon heel anders ingevuld dan hij wordt gepresenteerd. Leraren aan middelbare scholen vertellen me dat leerlingen het interessant vinden. De zo gewekte belangstelling voor geschiedenis wordt dan wel gestuurd, maar ik ben al lang blij dat die er is. De vraag is alleen hoe je dat historische verhaal koppelt aan de manier waarop we in de toekomst omgaan met Nederland.”