Een aanslag op de 'kleine' spaarder

Gemiddeld genomen zitten gezinnen in Nederland financieel op rozen. Samen bezitten zij een vermogen van 2,4 biljoen euro, ofwel meer dan drie ton per huishouden. Al die rijkdom is wel erg ongelijk verdeeld. De helft van de huishoudens beschikt nauwelijks over vermogen, of heeft schulden. Een groot deel van het totale gezinsvermogen is in handen van de 10 of 15 procent meest bemiddelde huishoudens. Heel wat abonnees van deze krant zijn stille miljonairs, zonder dit te beseffen. Zij onderschatten hun werkelijke vermogen, omdat zij geen rekening houden met de waarde van hun pensioenaanspraken.

Ondanks al het recente rumoer over de twijfelachtige financiële gezondheid van de pensioenfondsen is het een feit dat zij namens de deelnemers 800 miljard euro beheren – een derde van het totale gezinsvermogen. Dat velen vergeten hun pensioenrechten mee te tellen, wekt evenwel geen verbazing. Het jaarlijks door de fondsen aan hun deelnemers verstrekte overzicht vermeldt wél het pensioenbedrag dat iemand – onder bepaalde voorwaarden – jaarlijks gaat ontvangen, maar rept niet over de huidige ‘contante waarde’ van alle te verwachten uitkeringen.

Een andere reden dat mensen hun pensioenvermogen buiten beschouwing laten zal zijn dat ze er niet direct over kunnen beschikken. Eerst vanaf het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd krijgen senioren tot aan de dag van hun overlijden maandelijks een klein stukje van hun pensioenkapitaal in handen.

Van de vermogensbestanddelen in eigen beheer is een aantal eveneens niet of moeilijk snel in cash om te zetten, zoals het geld dat de ondernemer in zijn eigen zaak of besloten vennootschap heeft gestoken.

Verder ligt bijna een derde van het nationale gezinsvermogen vast in de stenen van het eigen huis. De eventuele overwaarde – het verschil tussen de waarde van de koopwoning en de daarop rustende hypotheek – kan alleen in overleg met de bank worden vrijgemaakt door de hypotheek te verhogen.

In feite kan slechts een tamelijk gering deel van het totale vermogen van gezinnen van de ene op de andere dag te gelde worden gemaakt. Wie effecten heeft kan elke beursdag zijn aandelen of obligaties verkopen. Veel kleine vermogensbezitters staan echter huiverig tegenover de koersfluctuaties op de beurs. Zij sparen liever bij de bank. Bij de direct opvraagbare tegoeden en deposito’s gaat het om 290 miljard euro. Banksparen is extra attractief, doordat de overheid het spaartegoed garandeert tot een bedrag van honderdduizend euro (het dubbele daarvan voor een stel).

De bij de bank scharrelende spaarvarkens zijn echter ernstig ondervoed. Wie een direct opvraagbaar tegoed aanhoudt bij de Rabobank of ING ontvangt op dit moment een rentevergoeding van ten hoogste 2,2 procent.

Van het spaartegoed roomt de fiscus jaarlijks 1,2 procent af: 30 procent vermogensrendementsheffing over een veronderstelde rente van 4 procent. Hierdoor komt de effectieve belastingdruk in dit geval uit op 55 procent – 1,2 procent belasting is 55 procent van 2,2 procent rente.

De meeste typen spaarrekeningen doen momenteel een rente tussen 1,5 en 2 procent. Bij 1,5 procent rente loopt de effectieve belastingdruk zelfs op tot 80 procent!

Uitkomst: het rendement na belasting is amper positief en in elk geval onvoldoende om de aantasting van het spaargeld door de inflatie goed te maken. De geldontwaarding bedraagt immers 1,5 tot 2 procent per jaar.

Gevolg: een permanente vermageringskuur voor de koopkracht van het spaartegoed. Vooral de kleine, weinig rentebewuste en risicomijdende spaarder is hiervan de dupe.

Het is namelijk op zichzelf niet moeilijk om als belegger een aanzienlijk hoger rendement te maken. Door Griekenland uitgegeven staatsobligaties met een looptijd van tien jaar gaven eergisteren 11,3 procent rente. Het rendement, nadat de fiscus zijn deel heeft geëist en afgezien van de bankkosten, bedraagt dus 10 procent. Maar ook kleine spaarders beseffen hoe riskant deze belegging is.

Het risico er geld bij in te schieten is nog toegenomen door de concessie die kanselier Merkel vorige week afdwong tijdens topoverleg van de Europese regeringsleiders. Tegen heug en meug stemde zij in met het schrappen van automatische sancties voor EU-lidstaten die de begrotingsnormen van de Unie schenden.

In ruil voor deze concessie kreeg zij groen licht van haar collega’s voor een beperkte verdragsaanpassing. Daardoor komt de redding van zwakke landen uit de eurozone in de toekomst niet langer uitsluitend voor rekening van de Europese belastingbetalers.

Ook obligatiehouders moeten straks dus bloeden, bijvoorbeeld doordat rentebetalingen worden uitgesteld of obligaties worden afgestempeld.

Vooruitziende beleggers zien de bui hangen. Zij eisen nu al een nog hogere risicopremie bovenop de veilig geachte Duitse rente. Dit maakt Grieks schuldpapier tot een extreem aantrekkelijke belegging.

Desondanks kunnen mensen, die geld opzij zetten voor de aanbetaling op hun eerste eigen huis of de studie van de kinderen, riskante Helleense obligaties beter mijden. De wetgever zou hun prudentie kunnen belonen door het bij de vermogensrendementsheffing veronderstelde rendement van 4 procent voor bankspaarders tijdelijk te halveren tot een veel realistischer 2 procent.