Denkend aan Harry

Een mooi in memoriam over Harry Mulisch, van Marlise Simons, in The New York Times van 1 november. Ze citeert hem over de oorlog. In een interview met die krant zei hij: „Ik herinner me de Tweede Wereldoorlog niet zo maar; ik ben de Tweede Wereldoorlog.” Dat is niet een vorm van obsessie, geen hybris; het is een persoonlijk feit van dagelijkse ervaring. In zijn roman Het stenen bruidsbed zegt een van de personages, Hella: „De oorlog is pas afgelopen, wanneer de laatste die hem heeft meegemaakt, is gestorven.” Dezelfde boodschap in iets andere bewoordingen.

Ik heb Harry langzaam leren kennen tegen het einde van de jaren vijftig, op De Kring aan het Leidseplein, toen de sociëteit voor kunstenaars en intellectuelen. Hij was lid van een informeel clubje dat altijd heftig in gesprek was aan de ronde tafel, niet ver van het raam. Daar zaten ze: Hein Donner, Boebi Brugsma, Cees Nooteboom, nog meer leden van de toenmalige jonge voorhoede. De literaire talenten vergaderden ook bij de dichter Ed Hoornik. Ik hoorde er niet bij en eerlijk gezegd had ik ook niet de ambitie. Ik was journalist, mijn buurt was de Nieuwezijds Voorburgwal met als sociëteit café Scheltema en een eindje verder Hoppe. Het Leidseplein was voor mij een buitenwijk.

Toch meestal: vrijdagavond naar De Kring. Zo hebben Harry en ik elkaar zonder opzet beter leren kennen en ik denk dat we elkaar waardeerden, ook door ons gemeenschappelijk verleden: de oorlog. Zijn persoonlijke ervaringen waren heel anders dan die van mij. Hij kwam uit Haarlem, „de negerwijk van Amsterdam”, zoals hij de stad noemde. Door zijn vader die na de oorlog van collaboratie werd beschuldigd en zijn joodse moeder had hij, zacht gezegd, een ingewikkelde jeugd gehad. Ik kwam uit Rotterdam, had het bombardement meegemaakt en was in 1950 naar Amsterdam gegaan om te studeren. Na drie jaar gaan werken bij deze krant, die toen nog een andere naam had. Daar heb ik na verloop van tijd Jan Blokker ontmoet. Ook een oorlogskind.

Wat onderscheidt ons van de oudere en de jongere generaties? Als kind hebben we de oorlog zien naderen. De Rijksdagbrand, de onthoofding van Marinus van der Lubbe ligt binnen het bereik van ons geheugen. Daarna de Italiaanse verovering van Abessinië, de Spaanse burgeroorlog, het geschreeuw van Hitler en Goebbels dat uit die oude radio’s kwam, de overval op Noorwegen en Denemarken. En eindelijk, op 10 mei 1940, was het bij ons ook zo ver. Ik denk dat we niet verbaasd zijn geweest toen we de eerste Duitse vliegtuigen zagen overvliegen. Het was eerder de voorspelbare voltooiing van een lange voorgeschiedenis. We waren twaalf. Toen is onze opvoeding pas goed begonnen.

Op 14 mei heb ik mijn stad zien afbranden. In de daarop volgende vijf jaar is onze hele maatschappij voor onze ogen uit elkaar gevallen, met als apotheose de Hongerwinter. Alles werd mogelijk. Mijn joodse vriendjes verdwenen, het verzet deed overvallen, gijzelaars werden in het openbaar geëxecuteerd, toen kwam de spoorwegstaking, de openbare diensten deden het niet meer, mensen stierven van de honger. Lou de Jong heeft het allemaal uitvoerig beschreven. Maar welke invloed heeft dit alles op de geest van een puber? Verbaas je over niets. Van iedereen is altijd alles te verwachten, zoals W.F. Hermans – een paar jaar ouder dan wij, maar een tijdgenoot – heeft geschreven.

Nauwelijks was de grote oorlog voorbij of Nederland begon aan de andere kant van de wereld aan de volgende. Op den duur waren in Indonesië tegen de 150.000 Nederlandse soldaten, af en toe in een echte, een hete oorlog verwikkeld. Tot op de dag van vandaag noemen we het onze twee politionele acties. Nadat we die oorlog hadden verloren ging de natie van de ene dag op de andere over tot de orde van de dag. Dat is de essentiële jeugdervaring van Jan, Harry en mij. We zijn er niet door beschadigd, we zijn montere jongens gebleven, maar ook hebben we elkaar herkend als tijdgenoten, makkers met dezelfde geschiedenis.

Harry was een sociabel man, had behoefte aan mensen om zich heen. Wat denk je ervan als we elkaar wat regelmatiger zien, vroeg hij. We, dat waren Hans van Mierlo, Wim Duisenberg, Cees Nooteboom en ik. Goed idee. Zo is de Herenclub ontstaan. Plaats van samenkomst was Arti, aan het Rokin. Dat duurde niet lang. Nadat een wat beschonken kunstenaar Duisenberg had gevraagd zijn belastingbiljet in te vullen, zijn we verhuisd naar restaurant De Boerderij aan het Leidseplein. Al jaren geleden opgeheven. Naar Dikker en Thijs. Daar konden we niet aarden. Ten slotte zijn we in Le Garage terechtgekomen. De eigenaar zette zijn belangrijke gasten vlakbij de ingang, ‘in de etalage’. Dat beviel Wim en mij niet, en toen hebben we laten weten dat we terug zouden komen als er een andere vergaderplaats was gevonden. Het is er niet van gekomen. Maar sans rancune.

De laatste keer heb ik Harry gezien in het Verzetsmuseum, op een openbare bijeenkomst die over de oorlog ging. Jan zou er ook zijn maar was te ziek om te komen. Nu, terwijl ik in New York ben, is Harry gestorven. Ik zat ’s avonds in een restaurant, wilde wat zout op de aardappels gooien, nam het zoutvaatje en schudde eerst wat op de rug van mijn linkerhand. Even proefschudden. Een trucje dat ik lang geleden van Harry heb geleerd. Wie weet, als het allemaal meezit, zien we elkaar weer.