De redelijkheid van populisme

Een nieuwe generatie politicologen heeft oog voor de positieve kant van populistische partijen. Kees Versteegh

Voor wie dacht dat politicologen nog marxistische wereldverbeteraars zijn, was het gisteren even slikken. De jubilerende vakvereniging van politieke wetenschappers – de Nederlandse Kring voor Wetenschap der Politiek werd 60 – benoemde emeritus-hoogleraar Hans Daalder tot erelid. Als biograaf van Willem Drees geldt hij bepaald niet als icoon van de marxistische of nieuw-linkse school binnen de politicologie. En de jonge Amsterdamse politicologe die op Daalders inleiding mocht reageren, promoveerde twee jaar geleden op een proefschrift waarin het radicaal-rechts populisme werd geanalyseerd als normaal opererende politieke stroming.

De tijden in de politieke wetenschap zijn veranderd. Tot voor kort keek niemand er echt van op als vooraanstaande politicologen partijvoorzitter werden van de PvdA (Ruud Koole) of het PvdA-partijprogramma schreven (Jos de Beus). Nu is er een Amsterdamse politieke wetenschapper en lid van GroenLinks, Meindert Fennema, die een welwillende biografie schreef over Geert Wilders. Ook is er een generatie politicologische onderzoekers op het toneel verschenen die de intellectuele vrede meer vindt in empirische, internationale vergelijkingen dan in (links-)normatieve benaderingen of bestuurlijke betrokkenheid bij een linkse partij.

REGERINGSDEEL

Sarah de Lange (29), de Amsterdamse politicologe die Daalder mocht toespreken, geldt als representatief voor de nieuwe generatie politicologische onderzoekers van pakweg 25 tot 40 jaar (zie ook het kader hiernaast). Zij promoveerde in 2008 in Antwerpen bij Cas Mudde, expert op het gebied van rechts-populisme. Eerder werkte De Lange in Florence en Parijs. In haar proefschrift onderzocht ze de regeringsdeelname van rechts-populistische partijen in landen als Oostenrijk, Italië en Denemarken. Deze partijen blijken zich in hun keuze voor of tegen regeringsdeelname grosso modo door dezelfde factoren te laten leiden als gangbare partijen: de vraag of ze invloed kunnen uitoefenen op het nationale beleid; de vraag of, en zo ja welke politiek-bestuurlijke posten ze kunnen veroveren en welke invloed regeringsdeelname heeft op de eigen electorale positie. Normaliteit en rationaliteit zijn termen die De Langes proefschrift kleuren.

De ruimte voor dit type benadering ontstond nadat andere invalshoeken in het populisme-onderzoek minder vruchtbaar bleken, zegt hoogleraar Wouter van der Brug, hoofd van de faculteit politicologie van de Universiteit van Amsterdam. “Lange tijd domineerde een sociologische benadering, die zich afvroeg wie de kiezers precies waren die op rechts-populistische partijen stemden. Daar kwamen onbevredigende antwoorden op als: het zijn iets meer mannen dan vrouwen, iets meer lager- dan hogeropgeleid.” Bovendien werd het beeld gevestigd van rechts-populistische kiezers als angstige slachtoffers van modernisering en globalisering. Van der Brug: “Als dat waar zou zijn, zou er bijvoorbeeld in Wallonië heel veel aanhang voor dit type partijen moeten zijn. Maar het omgekeerde is het geval. Juist in het bloeiende Vlaanderen kreeg het rechts-populisme veel aanhang.”

Een ander voorbeeld van een jonge onderzoeker die bestaande beelden van het rechts-populisme op z’n minst nuanceert, is de Nijmeegse politicoloog en filosoof Tim Houwen (28). Hij verblijft nu aan de Universiteit van Sussex in Brighton, waar hij de verhouding tussen populisme en democratie onderzoekt. Hij onderscheidt daarbij minstens drie positieve kenmerken van zowel links- als rechts-populisme in Europa: het op de agenda plaatsen van onderwerpen die de gevestigde partijen doodzwijgen (de gevolgen van de immigratie); het betrekken bij het democratisch proces van grote groepen kiezers die anders vervreemden; en de “constante herinnering aan de pretentie van de democratie dat alle burgers in de een of andere vorm mogen meebeslissen.”

Maar hiermee nauw verweven is een andere, duistere kant aan het populisme, zegt Houwen. “Ik heb het daarbij over de gevaarlijke onderkant van de democratie die er nu eenmaal altijd is.” Dat komt bij rechts-populisme tot uiting in het centrale idee “dat het opkomt voor de belangen van het homogene volk, wiens belangen direct en onbemiddeld door de leider worden behartigd. Neem Silvio Berlusconi. Die zei eens tegen een journalist die hem een kritische vraag stelde: ‘Donder op! Het volk heeft mij voor vier jaar gekozen, kom tegen die tijd maar terug’.”

Andere gevaarlijke elementen zijn volgens Houwen de vijandige, of in ieder geval ongeduldige houding van het populisme tegenover instituties als de rechterlijke macht en de constitutionele rechten van minderheden.

LEIDERSCHAP

Welk gezicht van de ‘januskop’ van het rechts-populisme prevaleert, hangt van veel verschillende omstandigheden af en kan per periode verschillen, zegt de Nijmeegse onderzoeker. Houwens antwoord sluit aan op enkele opmerkingen die Elisabeth Young-Bruehl, biografe van politiek filosofe Hannah Arendt, onlangs maakte tijdens een filosofisch symposium in hetzelfde Nijmegen. In haar commentaar op Arendts standaardwerk The Origins of Totalitarianism vroeg Young-Bruehl aandacht voor het Aristoteliaanse begrip dynamis: het vermogen om te veranderen. Politieke concepten zoals nadruk op leiderschap of inspraak van het volk die in de ene periode onschuldig of positief lijken, kunnen onder sterk veranderde economische of culturele omstandigheden een onverwacht explosieve en schadelijke uitwerking op de democratie krijgen.

Als de voortekenen niet bedriegen, zullen ook politicologen als Sarah de Lange meer aandacht voor deze benadering ontwikkelen. “Begrippen als rationaliteit en normaliteit zijn zeker waardevol, maar hebben ook beperkingen in het populismeonderzoek”, zegt De Lange. “We hebben daardoor misschien wat minder aandacht gehad voor normatieve benaderingen zoals die van Hannah Arendt.”

BEOORDELING

Mogelijke komen deze elementen tot uitdrukking in een bijdrage die De Lange gaat leveren aan de zogeheten democratic audit onder leiding van de politicologen Rudy Andeweg en Jacques Thomassen. Het gaat hier om een analyse van de politieke praktijk van een democratie. Hoe de bijdrage van het rechts-populisme aan de Nederlandse democratie wordt beoordeeld, zal bij publicatie van het project in maart 2011 blijken.