'Als gezin werden we nagekeken'

Henry de Vries (1967) is kind van een Nederlandse moeder en een Surinaamse vader. ‘Voorbijgangers vroegen of ze mijn vaders haar mochten aanraken.’

‘Mijn moeder groeide op in Wittenburg, bij het Oostelijk havendok in Amsterdam. Ze was enig kind; haar ouders hadden een feestartikelenzaak. Als ze buiten speelde, zag mijn moeder grote schepen uit de West en de Oost de haven binnenkomen. Ze fantaseerde dat ze op een dag zelf weg zou varen op zo’n boot.

„Op het Thorbeckeplein was een dancing, de Palace, waar af en toe een Surinaamse studentenband optrad. Mijn moeder kwam daar graag met een vriendin, en op een van die avondjes vroeg mijn vader haar ten dans. Hij was naar Nederland gekomen om te studeren, samen met zijn broer Erwin. Hun vader was een man van stand in Suriname, een succesvol handelaar en waarnemend gouverneur, die witte pakken droeg en rondreed in een Ford T. In Suriname waren beroepsopleidingen voor rechten, handel en geneeskunde, maar mijn vader wilde iets anders. Hij koos voor fysische geografie aan de Universiteit van Amsterdam.

„Toen hij mijn moeder tegenkwam, zat mijn vader nog middenin zijn studie. Zij had de opleiding fysiotherapie afgerond. Het was gelijk dik aan tussen die twee, ze waren heel verliefd. De ouders van mijn moeder accepteerden mijn vader probleemloos; dat had ook anders kunnen gaan, want Surinamers waren nog een zeldzaamheid in Nederland. Op straat vroegen mensen mijn vader soms of ze zijn haar even mochten aanraken.

„Na twee jaar trouwden mijn ouders. Annette en Gerard werden geboren. Mijn vader studeerde af. Toen wilde hij terug naar Suriname om daar les te gaan geven; dat was altijd zijn plan geweest. Mijn moeder wilde graag mee. Vriendinnen aan wie ze het vertelde dachten dat ze in een boom ging wonen.

„In Paramaribo betrokken mijn ouders een groot huis, met een tuinman en een dienstmeisje. Het was echt nog een koloniale samenleving, en het feit dat mijn vader een witte vrouw had deed hem in aanzien stijgen. Het was een mooi leven, maar mijn moeder had heimwee. Na een paar jaar nam ze Annette en Gerard mee op ‘groot verlof’, zoals dat heette. Ze logeerde bij haar ouders, zag alle Amsterdamse plekken terug die ze zo gemist had en besefte toen dat het een luchtspiegeling was. Niets was meer hetzelfde. Ze keerde terug, en kreeg in Suriname nog twee kinderen. Dat waren Bert en ik.

„Eind jaren zestig werd het onrustig in Suriname. Mijn vader was een van de leiders van de grote lerarenstaking van 1969. Na de val van de regering werd hem door het nieuwe bewind een baan aangeboden als hoofd onderwijszaken onder de gevolmachtigd minister van Suriname in Den Haag. We verhuisden met het hele gezin naar Nederland.

„In Nederland beginnen mijn herinneringen pas. Ik kende Suriname niet, maar er ging bij ons thuis geen dag voorbij zonder dat het genoemd werd, bij elke maaltijd wel een keer, op een toon vol heimwee. Toen ik tien was, gingen we er voor het eerst naartoe. Het was een openbaring. Mijn ouders werden voortdurend aangesproken op straat – fantastisch was dat, ze bleken zoveel mensen te kennen. ‘Komen jullie terug?’ werd er vaak gevraagd, en zo ontstond er een plan: in 1979 zouden we teruggaan. Maar dat is nooit gebeurd. Eerst werd het uitgesteld, en daarna kwam de militaire coup. Toen durfden mijn ouders het niet meer aan. Vooral voor mijn moeder was dat zwaar; ze had zo gehoopt op een terugkeer, ze had het zich al helemaal voorgesteld. Maar toen het onverstandig bleek, ging de knop bij mijn ouders ook echt om. Het laatste wat ze wilden was een leven zoals dat van de moeder van mijn vader, ‘oma Suriname’, die eind jaren zestig als weduwe naar Nederland gekomen was. Oma’s flatje was een klein Suriname. Ze ‘las’ de rijst door elk korreltje te inspecteren, en wandelde elke dag op en neer naar de Albert Cuypmarkt om daar Surinaamse groenten te kopen.

„Als kind ben je je er niet van bewust dat je vader zwart is en je moeder wit. Het drong met een schok tot me door tijdens een vakantie in een aartsconservatief Duits dorpje. Daar werden we als gezin opeens nagekeken. In Nederland waren er ook wel incidenten. Mijn broer Gerard, die van ons vieren het lichtst van kleur is, ging een keer een jas kopen met mijn vader, en toen ontstond er verwarring omdat de verkoper niet begreep dat ze familie van elkaar waren. Gerard is dat nooit vergeten.”

Vreemd hoe die dingen gaan: zijn werk voerde hem dit jaar al drie keer naar Suriname. Hij is hoogleraar op het gebied van tropische huidziekten. Gisteren maakte hij kapucijners met rijst erbij, net zoals zijn moeder het doet.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl