Wit wint

Het Grand Palais toont het werk van Monet niet chronologisch, maar thematisch. Een Normandisch zeegezicht uit 1882 hangt naast een Normandisch zeegezicht uit 1897.

Wolken, stoomwolken, rook, zeilen, chrysanten, kalkoenen: ze zijn allemaal wit op de schilderijen van Monet. Maar wit blijft er ook wit; een veeg witte verf. Het is alsof Monet niet kiest tussen figuratief en abstract; hij doet het gewoon allebei. Het is een genoegen dat – anachronisme of niet – niet alleen Monet bereidt. Ik herinner me een kraag van Frans Hals en een jurk van Breitner. Net niet voltooide metamorfoses die juist daarom de aandacht vestigen op het feit dat schilderkunst metamorfose is. Bij het woord metamorfose denk je misschien eerder aan spectaculaire zaken als jongens die in bloemen veranderen en nimfen die laurierbomen worden, maar ook de schilderkunst is gedaanteverwisseling. Verf wordt sneeuw.

Die metamorfoses zie je ook op reproducties, maar in het echt zijn ze spannender, alsof de schilderijen werkwoorden zijn in plaats van zelfstandige naamwoorden: je moet ze zien om de transformatie te bewerkstelligen. Verf wordt sneeuw.

Het is een type illusie dat zich vooral in de eerste zalen van het Grand Palais voltrekt, op het ene doek wat opzichtiger dan op het andere. Hoe opzichtiger, hoe slechter is lang gedacht. Nu is het bijna andersom. Maar toen moest de illusie betrekkelijk volmaakt zijn: als verf te veel verf bleef kwam een doek niet op de salon te hangen. Dat gebeurde bijvoorbeeld met het doek dat het impressionisme zijn naam gaf, Impression, soleil levant. Dat doek hangt niet op de tentoonstelling in het Grand Palais omdat Musée Marmottan, waar het altijd te zien is, het niet uit wil lenen.

Een groot gemis is dat niet, want het impressionisme speelt helemaal niet zo’n grote rol op de tentoonstelling. De omslag in het werk van Monet vindt in het Grand Palais niet plaats in de jaren zeventig, niet in 1872, het jaar dat Monet Impressie, zonsopgang schilderde noch in 1874, het jaar dat het voor het eerst werd tentoongesteld, maar in 1890, het jaar dat Monet aan zijn eerste serie begon.

Daarmee laten de curatoren zien een moderne tentoonstelling te willen maken, geen historiserende. Ze willen laten zien dat Monet moderner is dan de schilder van klaprozen en tuinen die het zo goed doen op koekblikken en kalenders. Een modernist zelfs.

Het impressionisme is gemeengoed geworden. Dát iets geschilderd is, is tegenwoordig misschien gekker dan hoe het geschilderd is. Je kunt het immers ook fotograferen of filmen. Een vergelijking: als je alleen appels en peren kunt kiezen, verschillen die nogal van elkaar. Maar als ook ijs, flensjes of taart op de kaart staan, worden appels en peren fruit. Om weer te geven hoe revolutionair het impressionisme in de jaren zeventig van de negentiende eeuw was, had het Grand Palais waarschijnlijk meer moeten doen dan het ophangen van een reeks schilderijen van Monet.

Het tweede deel van de tentoonstelling begint op de bovenverdieping. Daar hangen de series: stromijten, populieren, kathedralen, schilderijen die hetzelfde onderwerp in verschillende seizoenen, weertypes en momenten van de dag afbeelden, soms wel dertig doeken van één ding. Omdat er in Frankrijk lang geen Monet-tentoonstelling is geweest, is dit voor de Fransen misschien een openbaring. Maar vergeleken met eerdere tentoonstellingen in andere landen hangen er tamelijk weinig stromijten, populieren en kathedralen. Dat maakt uit, want bij series gaat het juist om een zekere hoeveelheid. Ook ontbreken sommige series geheel.

Het Grand Palais laat Monet als schilder van Frankrijk poseren, als chroniqueur van Franse landschappen; hij schilderde in Fontainebleau, in Normandië, in Bretagne, in Zuid-Frankrijk, aan de Creuse. Londen en Venetië vertegenwoordigen het buitenland, werk van andere reizen is er nauwelijks in de Galeries Nationales. Eén schilderij van Hollandse bollenvelden hangt in de zaal met stillevens. Dat Monet niet alleen de Franse, maar ook de Italiaanse Rivièra schilderde, blijft onvermeld, ook al zijn er wel doeken uit Bordighera te zien.

Van de laatste serie van Monet, de waterlelies, zijn studies te zien; die hangen altijd in zalen die speciaal voor hen ingericht zijn, in de Orangerie, waar ze sinds 1927 te ondergaan zijn. Zo mooi kan het niet worden op een tijdelijke tentoonstelling, maar het Grand Palais had inventiever kunnen zijn in de manier van presenteren. De grijze wandjes ogen niet royaal.

Gelukkig kun je je nog steeds in de schilderijen verliezen. Opvallend bij de series is dat de titels niet gestandaardiseerd zijn. De ene Stromijt heet bijvoorbeeld Stromijten aan het eind van de zomer, ochtend effect, een andere Stromijten in de zon, middag. Waarom de ene keer wel het seizoen genoemd en de andere keer niet? Bij de kathedralen is het al net zo. Nu eens wordt het weer benoemd, dan weer het seizoen, of het is plotseling Symfonie in grijs en roze. Je zou kunnen zeggen dat deze titels realistisch zijn. Voor de ene impressie is het weer belangrijker, voor een andere het tijdstip van de dag. Het kan ook dat die titels niet door Monet zijn gegeven, maar door latere eigenaren zijn toegevoegd. Al naar gelang.

Ain’t nothing but the real thing baby, zegt het lied. Maar wat is echt als je dat hier tussen de stromijten neuriet, tussen de geschilderde stromijten, die weer echter zijn dan reproducties van die stromijten. Is een stromijt minder echt in de mist? Zulke vragen hoeven hier gelukkig geen antwoorden meer. Ze lossen op in die mist.

Het hoogtepunt van de tentoonstelling is zoals altijd bij Monet de waterlelies. De apotheose. De climax. Catharsis misschien wel. Maar je kunt als bezoeker op een ander dan het voorgeschreven moment pieken. Te vroeg misschien. Mij overkwam het al in Varengeville, twee zalen eerder zag ik al een einde.

Monet blijkt in de tweede helft van zijn leven vaak plekken te hebben geschilderd die hij in de eerste helft ook al had vastgelegd. De curatoren hebben een paar keer die oude en nieuwere schilderijen naast elkaar gehangen. Dat is de grootste vernieuwing van deze tentoonstelling. Het heeft een bijzonder effect omdat de schilderijen nu dubbel revolutionair zijn: de eerste keer vergeleken met andere schilderijen, de tweede keer vergeleken met Monets eerste schilderijen. Het is bijvoorbeeld te zien bij het stadje Véthieul, waar hij in 1879 en in 1901 schilderde en bij Londen, waar hij in 1871 en in 1900 schilderde. Monet lijkt die tweede keer steeds zachter te zien. Diepte verdwijnt, details verdwijnen. Een soort overtreffende trap van het impressionisme. Van Monet naar superMonet.

Het mooist zijn de schilderijen uit de buurt van Varengeville in Normandië, waar Monet zowel begin jaren tachtig als eind jaren negentig schilderde. De met struikgewas begroeide kliffen met een vissershuisje of een douanehuisje erop en erachter meer of minder zee. Op de nieuwere doeken zijn de verfstreken gaan liggen, ze hoeven de golven niet meer weer te geven. Kleur alleen is genoeg.

Wat vooral opvalt aan die kleur is dat ze zo licht is geworden. Lichter en ondoordringbaarder. Overal zit meer wit op. Kleur wordt sneeuw.

In de catalogus worden deze schilderijen nostalgisch gevonden, alsof Monet herinneringen schildert die, net als in een film, waziger zijn dan de werkelijkheid. Je zou ook kunnen zeggen dat het is alsof het landschap voor je ogen oplost, alsof hij niet meer hoeft te schilderen omdat hij al zoveel geschilderd heeft. De nieuwsgierigheid is uit de verf gesijpeld.

Monet was in 1882 42 en in 1897 57. Op weg naar het einde, lijkt het in de catalogus. Zal alles naarmate je ouder wordt donkerder worden, en als je sterft op zwart gaan? ‘Do not go gently into that good night’, schreef Dylan Thomas. ‘Old age should burn and rage at close of day/ Rage, rage against the dying of the light’.

In de schilderijen van Varengeville lijkt het licht niet te doven maar alles juist te overspoelen. Mensen met een bijna-doodervaring zeggen vaak dat alles om hen heen licht wordt. Die ervaringen schijnen op fantasie te berusten. Toch lijkt het alsof Monet naar dat licht toe op weg is, weg uit Varengeville, weg uit 1882 en 1897, weg uit schemering en zonsopgang, uit zomer en winter, uit storm en uit mist.

Plein soleil, alles plein soleil.

Tentoonstelling: Monet . Galeries Nationales, Grand Palais, t/m 24 jan. Inl. monet2010.com.