Ruimte tussen de noten

Het leven van Quincy Jones heeft altijd in het teken van muziek gestaan: componeren, arrangeren en het koesteren van jong talent. Sterren van nu zoals Amy Winehouse en Snoop Dogg eren de muziekarchitect met bewerkingen van zijn nummers.

Op zijn gemak voorziet hijzijn gehoorapparaatjes van nieuwe batterijen. „Door ruim vijftig jaar in de studio met extreem luide muziek door te brengen heb ik mijn oren opgeblazen”, zegt Quincy Jones (77), de veelzijdige musicus, producer, arrangeur, componist en entrepreneur. „Wisten wij in die tijd veel dat dat je gehoor beschadigt.” Met een klik sluit hij zijn oren weer aan.

Ja, frappant dat hij onlangs zijn naam verbond aan een serie hypermoderne hoofdtelefoons. Maar Quincy Jones (77) kan middelen „om muziek nog beter te beleven” simpelweg niet weerstaan. De man die zijn bijnaam Q kreeg van Frank Sinatra drinkt zijn dubbele wodka. Die heeft hij gemengd met een stroperige bruin goedje uit een thermosfles: açai-pulp, boordevol anti-oxidanten uit het Amazonegebied. „Een beetje leven plus een kleine zonde.”

Komende week komt in Amerika de cd Q: Soul Bossa Nostra uit waarop artiesten van nu, voornamelijk hiphopsterren, de multidisciplinaire musicus Quincy Jones eren met remakes van zijn nummers. Het album is vernoemd naar Jones’ nummer Soul Bossa Nova uit 1962, waarin het vrolijk dansende fluitmelodietje van Rashaan Roland Kirk leidt. Het is een van zijn bekendste hits. Niet alleen was het de titelsong van drie komische Austin Powers-films, het nummer is ook veel gebruikt in tv-shows en gesampled in rapsongs, zoals die van rapper Ludacris.

De komst van Q: Soul Bossa Nostra, met bijdragen van onder anderen Mary J Blige, John Legend, Snoop Dogg, Ludacris, Jamie Foxx, LL Cool J, Usher, Robin Thicke en Amy Winehouse, was een initiatief van rapper/producer Timbaland. Hoewel Jones veel werd geraadpleegd („bijna dagelijks”), noemt hij het „hun” project en niet het zijne. Al wordt Jones nadrukkelijk vermeld als ‘executive producer’.

„Voor Q: Soul Bossa Nostra heeft elke artiest een nummer uit mijn catalogus uitgekozen dat bij ze past”, vertelt Jones. „Sommigen kenden het origineel nog uit hun jeugd omdat hun ouders het thuis draaiden. Toen ze hun favoriete nummer bekendmaakten zei ik tegen hen: doe ermee wat je wilt. Doe het op jouw manier. Maar voeg wel iets toe aan het origineel. Anders haalt de song het album niet.”

Die zacht dwingende aanpak typeert de musicus. In zijn carrière van zestig jaar jazz, soul en pop hielp Quincy Jones als een ware Koning Midas artiesten aan het juiste gouden geluid. Dat nu een eredivisie van hedendaagse sterren opdraaft om zijn muziek opnieuw uit te voeren, vindt hij „eervol”. Maar: „ik heb dat in feite mijn hele leven gedaan. Het is niet anders dan toen.”

Jones is natuurlijk de architect achter Michael Jacksons succesplaten Off The Wall, Bad en ’s wereld best verkochte album: Thriller. Hij produceerde en dirigeerde in 1985 het sterrenproject ‘USA for Africa: We Are the World’, en kreeg meer Grammy’s dan wie dan ook: 27. In 1963 ontving Jones zijn eerste, voor zijn Count Basie-arrangement I Can’t Stop Loving You.

Door stijlen als soul, pop, hiphop, jazz, klassiek, Afrikaanse en Braziliaanse muziek op ingenieuze wijze met elkaar te combineren creëerde hij nieuwe standaarden in de hedendaagse muziek. In de jaren zestig werkte hij als bandleider en arrangeur met Frank Sinatra. Een van zijn belangwekkendste stappen was de koppeling van Sinatra aan Count Basie, voor de klassieker Sinatra at The Sands. Jones’ swingarrangement van Fly Me to the Moon wordt nog steeds heel vaak uitgevoerd. Verder nam Jones jazzalbums op met sterren als Dinah Washington en Bill Cosby, en pop voor Paul Simon, Aretha Franklin en Chaka Khan. Naast het produceren ging hij ook zelf platen maken. Aanvankelijk was dat bigbandmuziek, (1969, Walking in Space), later werden dat meer pop en r&b georiënteerde werken met bekende namen.

Quincy Jones schreef niet alleen veel muziek, hij richtte ook zijn eigen platenlabel op, Qwest, en het magazine Vibe. Hij schreef boeken en lanceerde televisieseries als The Fresh Prince of Bel Air met Will Smith. Ook produceerde hij films en schreef filmscores. Over een paar dagen blikt hij bij Oprah Winfrey terug op ‘hun’ film The Color Purple (1985).

Eigenlijk wilde Quincy Jones (1933, Chicago) gangster worden. Hij groeide op in het getto van Chicago gedurende de Grote Depressie. „Mijn vader legde tapijten in de huizen van de Jones-boys, die toen bekend stonden als de meest beruchte zwarte gangsters van Chicago. Op mijn zevende was ik bevriend met een vijfjarig gangsterdochtertje. We speelden en ik knipte al haar haar af. ‘Weet je wel wie haar vader is?’ schreeuwde mijn vader. Toen Capone de macht overnam in 1943 zijn we naar het noordwesten van het land verhuisd.”

Wanneer realiseerde Jones zich dat muziek zijn roeping was? „Met mijn broertje Lloyd heb ik eens ’s nachts ingebroken in een recreatiecentrum in Sinclair Heights. We aten en gooiden er taart, dronken prik en gingen in alle kamers kijken wat er te halen viel. In een kamer zag ik een piano staan. Ik werd ernaartoe gezogen als een magneet. Mijn handen raakten de toetsen en met elke vezel in mijn lijf wist ik: dit is mijn leven.”

Jones groeide op zonder moeder. Zij was geestesziek en verbleef in een tehuis. Als kind begreep Jones daar weinig van, hij miste haar, maar was intussen ook bang voor haar geworden, bang dat ze hem en zijn broer eens zou komen halen. „Muziek beschouwde ik als mijn nieuwe moeder. Ik voelde liefde. En muziek gaat me nooit in de steek laten, dacht ik. Door muziek bleef ik weg van het gangsterleven. En geloof me, ik groeide op tussen de geweren en afrekeningen.”

Steeds klom hij stiekem door het raam om op die piano te spelen. „Ik herinnerde me de muziek die klonk in de Baptistenkerk die ik met mijn moeder en oma bezocht. En ik kende de blues van 78-toeren platen in het huis van mijn tante. Op de middelbare school leerde ik wat instrumenten spelen als tuba en sousafoon en ik zong in een a-capellakoor. Later hing ik veel rond in louche jukejoints met jammende musici.”

Jazzvibrafonist Lionel Hampton wilde de jonge Quincy al op zijn vijftiende op tournee meenemen. Zijn vrouw gooide de tiener echter weer uit de tourbus. „Ga terug naar school”, zei ze. Toen Jones negentien was belde Hampton opnieuw. Jones zat net op Berklee College of Music in Boston. „En ik was weg. Op weg naar Europa. Ik raakte verslingerd aan het reizen. Elk concert was anders. In Zweden en Parijs voelde ik me behoorlijk thuis. Maar ook in Holland, waar ik verschrikkelijk vaak ben geweest.” Zoals in 1959, toen hij zes weken op rij Harold Arlens ‘Free and Easy’-productie speelde in Carré. Na afloop gingen Jones en musici als Thad Jones en Phil Woods regelmatig jammen in de Amsterdamse jazzclub Sheherazade met Nederlandse musici.

Jones is een workaholic. Altijd geweest. Nu nog leert hij nieuwe talen – Arabisch, Chinees. Op zijn vakantie in Europa deed hij de jazzfestivals Montreux en North Sea Jazz aan. Op die laatste ontving hij deze zomer weer een oeuvreprijs. Er vloeit met regelmaat nog iets uit zijn pen: van We are The World 2, voor de Haïti-ramp, tot de openingstune van de World Expo in Shanghai. Maar voor zijn onuitputtelijk drang tot werken betaalde hij naar eigen zeggen een hoge prijs: hij onderging in 1974 twee hersenoperaties als gevolg van aneurysma’s in de hersenen. Een metalen plaat „houdt mijn hersenen bij elkaar”. Je moet het leven léven, is sindsdien het motto. Liefde, lachen, leven. Met zijn familie, zijn Quincy Jones-Foundation die hulp verleent aan kinderen in oorlogsgebieden, zijn vriendinnen, zijn vrienden. „En muziek, mijn grote passie. Die helpt me de wereld te begrijpen.”

Mist hij het spelen van een blaasinstrument zoals vroeger? „De druk op mijn hoofd zou ik niet overleven. Het dus geen optie. Maar ik heb alle instrumenten in mijn hoofd.”

Over zijn perfecte instinct voor ruw talent kan Jones kort zijn: „Dat heb je of dat heb je niet. Ik spot talent al voor ze het zelf door hebben.” Of het nu Will Smith betreft, Oprah Winfrey, soulzanger James Ingram of Patti Austin. Als mentor hielp hij menigeen in het zadel. Zijn jongste pupil is de jonge Cubaanse jazzpianist Alfredo Rodriguez. Die hulp spreekt voor zich, vindt Jones. „Ik heb aan het begin van mijn carrière ook hulp gekregen. Musici als Clark Terry, Count Basie en Ray Charles ontfermden zich over mij als tiener. Clark Terry liet me zien hoe ik mijn trompet vasthield. Count Basie liet me stap voor stap zien hoe ik muziek moest opschrijven. Dat doe ik nu ook voor jonge musici. ”

Als hij orkestreert en componeert, legt hij de instrumenten als een puzzel uit in zijn hoofd. „Ik vind altijd ruimte tussen de noten. Dat komt uit het onderbewuste, uit zowel de linker als de rechterhersenhelft. Emotie en intellect worden in muziek altijd geraakt.” Jones verstaat de kunst om vocalisten boven zichzelf uit te doen stijgen. „Je voelt aan waar de opening zit. Ik lever het canvas waarop ze los kunnen, het juiste ritme, tempo, aantrekkelijke harmonieën. Zoiets ontstaat vanzelf in de relatie met een artiest. Je helpt met liefde èn geeft ze het juiste ritme aan.”

Jones knipt ritmisch met zijn vingers en zingt de eerste twee zinnen van Fly Me to the Moon. „Het is een één-tweetje met een artiest. Je combineert elkaars talenten, er komt geen ego aan te pas. Ze moeten me vertrouwen. De jonge Michael Jackson kon niet groter worden. Nou, dus wel. Artiesten groeien als je respect toont voor hun muziek. Dan pas kun je hun vragen te springen zonder net.”