Resterend van de slacht

1. Weltkrieg Voelkermord an den Armeniern Christliche Armenier, die den tuerkischen Massakern entkommen sind, finden Aufnahme an Bord eines franzoesischen Kreuzers vor der tuerkischen (syrischen) Kueste noerdlich Latakia. - 1915/16 World War I Armenian Genocide Christian Armenians who escaped the Turkish massacres find shelter aboard a French cruiser at the Turkish (Syrian) coast north of Latakia - 1915/16 ullstein bild - Archiv Gerstenbe

Fetiye Çetin: Het geheim van mijn grootmoeder. Vert. Hanneke van der Heijden. Van Gennep, 144 blz. € 9,90

De grootmoeder van de Turkse advocate Fetiye Çetin heette Seher en was een Turkse moslim – althans dat dacht ze lange tijd. Totdat haar grootmoeder haar op een dag vroeg haar Amerikaanse familie op te sporen. Grootmoeder bleek Heranus te heten en van Armeens christelijke afkomst te zijn. Als meisje was ze, tijdens de dodenmars van 1915 van Anatolië de Syrische woestijn in, geroofd door een korporaal te paard, moslimcommandant van een militaire politiepost, die haar opvoedde alsof ze zijn eigen dochter was. Haar echte vader ontsnapte aan de gebeurtenissen, hij was een paar jaar eerder naar de VS verhuisd om daar een zaak op te bouwen. Jaren later vond hij haar moeder terug, waarna hij ook zijn kinderen opspoorde, maar tot een weerzien kwam het niet.

‘Een vertelling’, heet Het geheim van mijn grootmoeder, niet ‘roman’, maar ook geen ‘getuigenis’, geen ‘non-fictie’. Het past bij de vage aanduidingen die Çetin in haar boek welbewust hanteert, op het grensgebied van roman en memoires. Ze koos die vaagheid wellicht als een manier om aan een juridische aanklacht, gebaseerd op wetsartikel 301 van de Turkse wetgeving, te ontkomen. Op basis van dit artikel werden onder andere de schrijvers Elif Shafak en Orhan Pamuk door nationalisten beschuldigd van belediging van de Turkse identiteit. Nadat Çetins grootmoeder, voor het eerst, bij stukjes en beetjes, haar verhaal had gedaan aan haar kleindochter, ging deze ‘op zoek naar manieren om de waarheid en de hypocrisie te onthullen’. Çetins eenduidige wereldbeeld over een eenvormige Turkse staat, en haar idee over haar moslimidentiteit, lagen aan diggelen. Ze voelde zich ‘verpletterd onder wat ze wist’.

‘En toen was het 12 september 1980’, schrijft ze over de militaire staatsgreep van dat jaar, ‘een aantal mensen met overvolle epauletten liet deze keer het oog vallen op hun eigen kinderen om voort te zetten wat al aan de gang was. In hun onverzadigbare honger om slachtoffers te maken lieten ze ditmaal jongeren in hun folterkamers creperen’. Çetin, rechtenstudent, later advocaat en mensenrechtenactivist en recentelijk de woordvoerder van de familie van de vermoorde journalist Hrant Dink, verdween in de jaren tachtig voor drie jaar in de gevangenis.

Çetin schetst in haar boek geen politieke achtergrond, geeft geen geschiedenisles, ze (ver)oordeelt niet, klaagt niet, stelt geen morele vragen en doet geen oproep. Ze vertelt het verhaal zoals haar grootmoeder haar dat zelf verteld moet hebben, eenvoudig, menselijk, met pijn in het hart, zonder grote woorden, gelaten bijna. Waarom is haar grootmoeder zelf niet op zoek gegaan naar haar verdwenen ouders? Waarom heeft ze het erbij laten zitten toen haar eigen zoon naar de VS was gegaan en vervolgens verklaarde het adres van haar familieleden kwijt te zijn geraakt? Waarom – en dat is de vraag die Çetin in wezen stelt – bewaren al die vrouwen die hetzelfde is overkomen de stilte? Waarom spreken al de vrouwen aan wie men de identiteit heeft ontrukt, die zijn vervormd en verminkt, niet over het leed dat hun is aangedaan?

Een machteloos gebaar, een schouderophalen, meer antwoordde haar grootmoeder niet. Meer konden ook die andere duizenden gekwetste, verdreven vrouwen van wie in de volksmond werd gezegd dat ze ‘over waren van de slacht’, niet meer opbrengen.

Inmiddels is het boek, dat in Turkije in 2004 verscheen, in vele talen verschenen. Daarmee heeft Çetin een bijdrage geleverd aan het doorbreken van de stilte en een stem gegeven aan de vele vrouwen van eerdere generaties die dat niet konden.

Het lijkt erop dat de huidige generatie schrijvers en wetenschappers datgene aandurft wat eerder onmogelijk was. Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk schreef over het Armeense thema, schrijfster Elif Shafak liet haar personages, verward in de diaspora, aan het woord in haar roman De bastaard van Istanbul (wat haar op een aanklacht kwam te staan). Van de Amerikaans-Armeense auteur en wetenschapper Peter Balakian, die over de Armeense kwestie onder andere Black Dog of Fate: an American Son Uncovers His Armenian Past publiceerde, verscheen onlangs Armenian Golgotha, memoires van zijn oudoom Grigoris Balakian. Balakian vertelt hoe in 1915 alle familieleden van zijn grootmoeders kant werden vermoord, behalve zijn grootmoeder zelf. Ook hij had een bijzondere band met zijn grootmoeder en ook zij vertelde nooit iets over de verschrikkingen die ze had meegemaakt. Pas na haar dood vond Balakian documenten die hem aanzetten tot verder onderzoek naar het lot van zijn voorouders. Die als enig overgebleven grootmoeder bleek op haar 25ste juridische actie te hebben ondernomen om de Turkse staat aan te klagen. Balakians getuigenis is verwant aan de literatuur van die andere auteurs die vergeten geschiedenis zichtbaar willen maken. Uiteindelijk streven ze hetzelfde doel na: rouw en verzoening.