Persoonlijke kruistocht tegen een enge sekte

Hans van der Beek: Wees Gegroet. Nijgh & Van Ditmar, 224 blz. €18,95

Het blijft een geliefd onderwerp in de Nederlandse literatuur: de afrekening met het christelijk geloof. Vorig jaar brak Franca Treur door met haar debuutroman over een streng gereformeerde, Zeeuwse dorpsgemeenschap, en ook het enorme succes van Jan Siebelinks Knielen op een bed violen uit 2005 liet zien dat religie voor veel lezers nog steeds een intrigerend onderwerp is. Opvallend aan deze beide successen was wel dat zowel Treur als Siebelink een liefdevol portret gaf van de geloofsgemeenschap waarin zij opgroeiden, maar waar zij toch, met enige pijn in het hart, afstand van hebben moeten nemen.

De tijd van het ongecompliceerd belachelijk maken van gelovigen is wel zo’n beetje voorbij. Misschien omdat er inmiddels genoeg afstand tot het christendom is ontstaan om plaats te maken voor fascinatie. En daarnaast natuurlijk heeft de komst van de islam in Nederland het verschijnsel religie in een nieuw daglicht gesteld: al te onbehouwen religiekritiek is politiek gevoelig geworden.

Aan de Limburgse ex-katholiek Hans van der Beek lijken al deze kwesties goeddeels voorbij te zijn gegaan. Zijn tweede roman Wees gegroet wekt bijna nostalgische gevoelens op naar de tijd waarin het grootste probleem van de Nederlandse literatuur nog de bevrijding van het beklemmende geloof der vaderen was. Onbekommerd laat Van der Beek zijn hoofdpersoon Jannes, afkomstig uit een typisch Limburgs nest waarbinnen het katholieke geloof verwaterd is tot een gevoel voor traditie, worstelen met de christelijke dogma’s.

Dat doet hij gelukkig op een vermakelijke manier. Zo verblijft Jannes in een hotel in het Zwitserse plaatsje Rehetobel, waar de (overigens echt bestaande) sekte van de Nieuwe Christenen huist, een obscure radicale afsplitsing van de katholieke kerk waar Jannes’ broer lid van is geworden. Hotel Löwen, Restaurant únd Gasthof, heeft Ruhetag. Het is maandag, de dag dat God het zwaarste werk verrichtte, tenminste, Jannes was er niet bij, maar daar gaat hij van uit; ‘op maandag deed Hij de bulk, de hele aarde en complete zeeën en zo, en pas later kwamen de bloemetjes, de bijtjes, de ornamenten zeg maar, dus de eerste dag was pas echt zweten en uitgerekend op die dag maken ze bij Hotel Löwen niet eens je bed op noch bemannen ze de receptie.’

Deze luchtige toon, die Van der Beeks talent voor zwierige ironie verraadt, overheerst de eerste helft van Wees gegroet. Dat levert genoeg amusement op om door te willen lezen, en bovendien weet Van der Beek de mild cynische houding van zijn hoofdpersoon goed te doseren door diens eigen tragiek daar tegenover te stellen: Jannes is net door de liefde van zijn leven aan de kant gezet en koestert warme herinneringen aan zijn moeder, die aan kanker overleden is. Leuk of niet: zijn godsdienstwaanzinnige broer is de enige die hij nog heeft.

Maar helaas raakt tijdens de tweede helft van de roman het evenwicht zoek. De theologische discussies tussen Jannes en zijn broer gaan maar door, en zo groeit het vermoeden dat het hier wel degelijk gaat om een serieuze afrekening met het geloof. De meest uitgekauwde morele kwesties passeren de revue: ‘Waar was God in Auschwitz?’, vraagt Jannes, in verschillende varianten, aan zijn broer, en die antwoordt dat het Joodse volk er nu eenmaal beter aan had gedaan om Jezus als Messias te accepteren.

Er klinkt vaak verontwaardiging door in dit soort passages. Jammer, omdat Wees Gegroet zo gaandeweg het karakter krijgt van een wel erg clichématige morele les van de atheïst aan de gelovige: ‘Voor gelovigen moest je respect hebben, was Jannes altijd geleerd. Die maken het zichzelf niet gemakkelijk, die kiezen niet voor de makkelijke weg. Dat doen ze dus juist wel. Ze leren een boek vanbuiten en zijn meteen verlost van alle twijfel, alle spijt en als iets gebeurt wat ze niet begrijpen, zoeken ze het even op. Kanker? Vers zoveel.’

En zo krijgt Hans van der Beeks tweede roman ondanks het gevoel voor humor van de auteur toch de trekken van een persoonlijke kruistocht tegen een obscure, radicale Zwitserse sekte, waarmee hij vermoedelijk gewoon het katholieke geloof bedoelt waarmee hij zelf is opgegroeid. Waarschijnlijk was deze kunstgreep nodig omdat het tegen het verwaterde Limburgse katholicisme minder prettig foeteren is. Het geloof van de ‘Nieuwe Christenen’ van Rehetobel is tenminste nog consequent, laat Van der Beek zijn hoofdpersoon geregeld denken. Daar spreekt gek genoeg ook wel wat waardering uit, en daar zit hem denk ik de kern: het is Van der Beek ondanks al zijn vaak zeer geslaagde gevoel voor ironie toch niet gelukt om volledig afstand te nemen van het geloof van zijn jeugd. En daarmee plaatst hij zichzelf met een omweg wel degelijk in het rijtje van Franca Treur en Jan Siebelink – met dit verschil dat hij over een tragikomisch talent beschikt dat nog veel meer heikele thema’s te lijf kan gaan.