Niet het oeuvre, maar de zin

‘Ik ben geen zinnenschrijver maar een oeuvrebouwer’, placht Harry Mulisch te zeggen. Maar wie het werk van de zaterdag overleden schrijver goed leest, treft daarin tal van sublieme zinnen. Dertien schrijvers en journa- listen kozen hun mooiste Mulisch-zin; lezers kunnen hun eigen favoriet – met argumentatie – opsturen naar boeken@nrc.nl. Wordt dus volgende week vervolgd.

EPSON scanner image

Deze zin staat in Het Stenen Bruidsbed, middenin een hallucinerende passage over het einde van het Derde Rijk en de zinloze vernietiging van Dresden. De woorden slaan een brug tussen het verleden en de toekomst. De schrijver is de bouwer van de brug, zich scherp bewust van zijn onmogelijke taak, die hij niet kan en wil weigeren. Het is een impliciete paradox van het soort waar Mulisch dol op was. De schrijver schrijft om te begrijpen wat hij heeft beleefd opdat het begrepen wordt door wie het niet heeft beleefd, wetend dat hij Sisyphus is. Albert Camus eindigt De mythe van Sisyphus met de zin: ‘We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’

Arnold Heumakers

‘Naast elkaar staren zij in het blauwe water van het zwembad, waarvan de betegelde bodem langzaam wappert als een vlag in het verleden, op een stomme film.’

De mooiste zinnen in het oeuvre van Harry Mulisch zijn hetzij poëticaal, hetzij beeldend. ‘Het beste is, het raadsel te vergroten’ blijft onbetaalbaar; minder bekend zijn de beeldende zinnen die in een paar woorden iets oproepen: een beeld uiteraard, letterlijk, maar ook nog iets meer wat zich op het niveau van de betekenis afspeelt. Zo’n zin staat nooit helemaal op zichzelf, maar maakt deel uit van een groter geheel.

Neem de bovenstaande, uit de novelle Oude lucht (1977). Je ziet het voor je, je hoort de stilte. Een mediterrane omgeving, drie al wat oudere personages, twee mannen en een vrouw; ze onderbreken even hun gesprek, over de dood van de moeder van één van hen. De vrouw heeft kort tevoren gezegd: ‘Ik heb een gevoel of ik droom’ en daar weer vóór stond te lezen: ‘Er hangt een ingehouden geweld in de lucht, verschansing, gevaar, maar met het gezicht van schoonheid en vrede’.

Dat is de context, maar het beeld dat wordt verwoord kan het met zijn paradoxale karakter (realistisch en symbolisch tegelijk) ook alleen af en daardoor krijgt de zin de raadselachtige, verstilde kwaliteit van bijvoorbeeld een schilderij van Giorgio de Chirico: een onverwacht verdwijnpunt te midden van het leven.

Pieter Steinz

‘Hij zou van haar afzien, – zoals iedereen van haar af moest zien, – en op déze manier altijd van haar blijven houden.’

‘De sprong der paarden en de zoete zee’ is het beste verhaal uit een bundel (De versierde mens, 1957) die ook nog juweeltjes als ‘De versierde mens’ en ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro?’ bevat. Volgens een noot van de verteller geeft het ‘de samenhangen, volgens welke Gustaaf Nagelhout op 13-jarige leeftijd de geestelijke vader werd van de mythologie van het eiland Schokland.’ Iets concreter gaat het over de manier waarop literatuur wordt gemaakt van dagelijkse gebeurtenissen en hoe een mens van vlees en bloed kan veranderen in een mythologische figuur. Maar vóór alles gaat het over de ervaring van een eerste liefde die niet beantwoord wordt, en die juist daarom de verpletterendste is.

Joost de Vries

‘De schrijver trouwt een vrouw, krijgt kinderen, wordt journalist en schrijft niet meer. De schrijver wordt ziek en kan niet meer schrijven. De schrijver wordt op de tramrails door een meteoor getroffen en is dood. Dit alles is een gebrek aan talent.’

Uit Voer voor psychologen (1961).

De beste schrijvers – en de leukste mensen – zijn in staat de grootste onzin heel serieus te brengen. Zo ook Harry Mulisch. Hoe vaak ik zijn boeken ook herlees, ik blijf me afvragen wat nu serieus is, en wanneer hij serieus loopt te schmieren. Tegelijkertijd zit er een onverbiddelijkheid in, die precies bij Mulisch hoort; een schrijver schrijft, en niets anders.

Joost Zwagerman

‘.. licht, lawaai, nacht, beweging.... ik hijg van opwinding, zo veel houd ik van de wereld en van alles wat zij in petto heeft [...]: een onbegrijpelijke, gigantische nieuwe wereld, die op mij wacht! ’

De mooiste zin van Harry Mulisch die ik ken, kan ik hier helaas niet volledig citeren. Die zin (uit Voer voor psychologen, blz. 109-110) – een luidkeelse en lyrische zin, vrolijk meanderend en driest alle kanten op zwiepend – telt 233 woorden, en het wordt lastig er nog iets over te vertellen in een stukje dat maar een bescheiden lengte mag hebben. Vandaar dat ik enkele ‘brokstukken’ uit de zin heb gelicht. In deze zin wordt niet alleen de euforie van een zevenjarige jongen beschreven maar ook verbeeld. Het is de euforie van het kind dat zich voor het eerst echt deelgenoot voelt van het ‘woeden der gehele wereld’, om het met Maarten ’t Hart te zeggen. Het heerlijke is: de zin is de euforie. Ergens anders in de zin laat Mulisch het kind beleven dat hij ‘het licht en de lucht en het donker’ met zijn handen kan ‘pakken en kneden’. De zevenjarige Harry valt hier als een blok voor het heelal, waarna hem een nieuwe wensdroom overvalt: onzichtbaar worden. Mulisch stelt het onomwonden: ‘Mijn ideaal is het om geheel niets te worden – wat ik altijd ben geweest.’ Om niets (onzichtbaar) te zijn, moet je eerst met een knal dwars door de alomtegenwoordige aanwezigheid heen. Voer voor psychologen is die knal. Wie het boek leest, kan die knal ‘pakken en kneden’, zoals in de bewuste zin het kind de kosmos kneedde.

Marcel Möring

‘Ik kan eerder beneden zijn dan de echo van mijn schreeuw terug is van het paleis.’

Dit is de laatste zin uit Twee vrouwen’, Mulisch’ Schicksalsgeschichte van een amour fou die in bloed en wanhoop eindigt. Laura Tinhuizen staat voor het raam, de diepte beneden gapend ‘als een wachtend graf’.

Kan. Een open einde dat in de geest van de lezer een boomdiagram van mogelijkheden opent. In ieder geval in de mijne. Voor Mulisch’ 80ste verjaardag schreef ik een vervolg, Een vrouw. Dat was niet moeilijk: die zin hield niet op vragen te stellen. Een schrijver die een andere schrijver doet schrijven, dat gebeurt niet vaak.

Janet Luis

‘Anderzijds hoeft niemand er spijtig over te doen, zoals op het ogenblik wel gebeurt in huiskamers, dat hij maar één dood kan sterven en niet zes miljoen.’

Adolf Eichmann was eindelijk opgespoord in Argentinië. Hij stond in 1961 in Jeruzalem terecht voor zijn oorlogsmisdaden. Mulisch was erbij en wist in De zaak 40/61 zijn weergave van het proces helemaal de juiste toon te treffen: inlevend, ingetogen, mild ironisch. In 27 woorden vat hij het collectieve oorlogstrauma subtiel samen. Die ene nette executie waar in het proces naartoe wordt gewerkt, weegt natuurlijk niet op tegen de massavernietiging van zes miljoen. Toch valt hier niet meer te willen dan dat, legt Mulisch in zijn reportage uit aan de mensen thuis. Iemand kan maar één dood sterven.

Christiaan Weijts

‘Wie door de stille haagse laan liep, diep in zijn kraag weggedoken tegen de vrieskou (maar zo iemand was er niet op dat moment), zag in het vrijstaande herenhuis opeens alle lichten doven, alsof daarbinnen een reusachtige kaars werd uitgeblazen.’

Ik kies voor de tweede zin van het eerste hoofdstuk van De ontdekking van de hemel, niet alléén omdat ik vlakbij die laan (de Statenlaan, blijkt op pagina 405) heb gewoond.

Onder de ogenschijnlijke eenvoud van de zin schuilt een geraffineerd spel van omkering en ironie. Zo gaat hier een nachtkaars uit, niet aan het einde maar juist aan het begin van het hele avontuur. En we krijgen een passant te zien, vrij scherp, dankzij het tekenend detail van de kraag, die vervolgens niet zou bestaan. Welkom, kortom, in de wereld waar alles tegelijkertijd wel en niet kan bestaan.

Arjen Fortuin

‘Later op de dag (toen de hele stad al ontroerd was) zou hij er weer aan denken, maar zonder dat het hem nog verbaasde.’

Ergens in de winter van 1986 moet ik deze zin gelezen hebben – en meteen daarna alle andere zinnen uit Het zwarte licht (1956). Het was de eerste keer dat een boek voor volwassenen me echt uit de wereld tilde. Mooier zou het nooit meer worden, wist ik. Bij deze zin gaat het om wat er tussen haakjes staat: de ontroering wordt in deze terloopse vermelding vermomd als bijzaak, en wint daardoor aan intensiteit. Precies zoals Mulisch de schoonheid altijd is blijven verpakken in metafysica. Het mooiste van De ontdekking van de hemel is immers ook het verslag van de mannenliefde tussen Max en Onno.

Jessica Durlacher

‘…Hitler… van zijn wieg tot zijn afwezige graf was de blijdschap die hij had verspreid steeds toegenomen. Eerst, bij zijn geboorte, waren alleen zijn ouders blij; later maakte hij het hele duitse volk blij, vervolgens ook het oostenrijkse; en toen hij stierf was de hele mensheid blij ook…’

Dit fragment (uit: Siegfried, een zwarte idylle) vind ik een typische Mulisch-zin, wegens de luchtige, jongensachtige spitsvondigheid over een onderwerp (Hitler!) dat Mulisch ten diepste fascineerde, misschien zelfs wel obsedeerde (zoals het mijzelf ook fascineert). Een veelgeplaagd onderwerp, maar door hem hier behandeld zoals hij alles wat hij schrijft behandelde: briljant beroofd van elke vorm van verveling en/of gewenning, de onderliggende ‘echte’ obsessie en ernst verhuld door een superieure, elegante ‘Umwertung aller Werte’: de combinatie van Hitler en blijdschap. Dat is meteen ook wat mij altijd zo aan Mulisch beviel: zijn (woord/roman)spelletjes met de allerwerkelijkste werkelijkheid, waarmee hij voor mij boek na boek bewees hoe het fantastische de werkelijkheid meer recht doet dan welke saaie poging ook tot een accurate weergave daarvan.

Sebastiaan Kort

‘Stap in, bietje. Ik weet wel een Parnassus voor je.’

Waar Mulisch vaak erg goed in is geslaagd (en dat hoor je maar weinig, want het moet altijd zo nodig over zijn ‘systeem’ of zijn ‘oerthema’s’ gaan) is het weergeven van de Sturm und Drang van jonge mannen. Vrijwel niets was me zo’n tien jaar na lezing van De ontdekking van de hemel nog bijgebleven, maar die straatschuimende Onno en Max (‘Mevrouw, mag Onno buiten komen spelen?’) uit de eerste paar hoofdstukken, die waren er nog steeds. In de novelle De pupil moet de hoofdpersoon het weliswaar zonder een wapenbroeder stellen, maar het maakt hem niet minder hemelbestormend dan Onno en Max.

Elsbeth Etty

‘Eens zal de mens het feest van zijn bevrijding vieren, geloof ik. Thans is de smeerlapperij nog voluit onder ons.’

Uit: ‘Bevrijd van de bevrijding’, 1954 (essay ter gelegenheid van het regeringsbesluit om de officiële herdenking van de vijfde mei af te schaffen).

Met de ‘smeerlapperij’ bedoelde de toen 26-jarige Mulisch het fascisme, waartegen hij in al zijn romans en non-fictie is blijven waarschuwen. Wat is de oorzaak, zo vroeg hij zich af, dat allerlei lieden willen dat wij de Tweede Wereldoorlog en het fascisme vergeten en tot taboe onderwerp verklaren? ‘De oorzaak is, dat niemand of bijna niemand innerlijk van het fascisme is bevrijd; en het is nu eenmaal zo, dat de mensen geen nee tegen zichzelf kunnen zeggen, wanneer de christendommelijke staatsgodsdienst zich bepaalt tot (toestemmend) stilzwijgen. In feite heeft de regering dus niets anders gedaan dan het voltooien van de tendens, die in ons middenstandersvolk reeds aanwezig was.’

Annejet van der Zijl

‘Weg wilde ik, weg. Maar wanneer kwam ik daar nu eindelijk eens aan?’

Ik zal een jaar of zestien zijn geweest toen ik deze zin las. Waarschijnlijk is hij me zo bijgebleven door de hunkering die eruit sprak, die intense behoefte om aan het gewone leven te ontsnappen. Naar ‘Weg’, volgens zijn tienjarige alter ego in Twee Vrouwen gewoon een plek, net als het huis waarin hij woonde.

Jaren later mocht ik de Grote Mulisch een paar keer interviewen. Nog later leerde ik hem, vooral dankzij de CPNB-actie Nederland Leest, zelfs een beetje kennen. Toen inspireerde hij me vooral door zijn vastbeslotenheid om zijn bestaan zo overzichtelijk mogelijk te houden, dit om des te spannender avonturen in zijn boeken te kunnen beleven.

En nu is hij Weg. Of misschien: daar eindelijk aangekomen.