Kleine man, groot monster

Het leven van de Duitse schrijver Hans Fallada was op zijn zachtst gezegd rommelig, net als een deel van zijn oeuvre en de tijd waarin hij leefde. Niettemin schreef hij een onvergetelijke roman. Bas Heijne over een terechte herontdekking.

Hans Fallada: Alleen in Berlijn. Uit het Duits vertaald door A.T. Mooij, herzien door A. Habers. Cossee, 495 blz. € 29,90

Is het een meesterwerk? Toen vorig jaar de eerste Engelse vertaling van Jeder stirbt für sich allein verscheen, de laatste roman van Hans Fallada (1893-1947), echode dat woord door de kritieken. De recensenten konden hun ogen niet geloven: waarom behoorde Fallada, pseudoniem van Rudolf Ditzen, niet tot de grote Duitse schrijvers? Zijn lijvige roman, in een laatste uitbarsting van werkdrift geschreven, drong door tot in het hart van het leven in nazi-Duitsland, bracht een bittere ode aan de onverzettelijkheid van de eenling in een totalitaire nachtmerrie. Bovendien las het als een ijzingwekkende thriller. De stijl was effectief op het journalistieke af, maar dat was eerder een voordeel dan een nadeel, want moeiteloos sleepte Fallada de lezer mee op zijn literaire hellevaart.

In Duitsland werd verrast en ook wat meewarig gereageerd op het plotselinge Angelsaksische succes van de roman. Fallada is daar nog altijd een bekende naam, vooral door zijn wereldsucces uit 1932, de aandoenlijke crisisroman Kleiner Mann – was nun? Maar de naam Fallada klonk de meeste lezers van nu in de oren als een echo uit het verleden, niet als een klassieker.

Ook ik heb Fallada’s roman via de Angelsaksische route ontdekt; tijdens een verblijf in Londen deze zomer las ik de nieuwe Engelse vertaling van Michael Hoffman. Ook mijn mond viel open: dat een Duitse schrijver meteen na de oorlog zo’n nietsontziende blik op de ontaarding van zijn eigen natie kon werpen en die bovendien zo precies kon beschrijven, was onvoorstelbaar – en dat in een periode dat de meeste Duitsers beschaamd hun mond hielden of monter vooruit keken; de literaire verwerking was toen nog lang niet begonnen.

Het was een verhaal van verzet – het doodgewone Berlijnse echtpaar Quangel onderneemt onbeholpen pogingen om stemming tegen Hitler te maken – maar Fallada’s roman was nergens vergoelijkend jegens zijn landgenoten. De opstandigheid van het echtpaar werd niet gebruikt om het nazisme apart te zetten van de gewone, fatsoenlijke Duitser. Het was precies andersom: in zijn laatste roman laat Fallada zien hoe de Duitse samenleving tot in alle vezels doordrenkt was van het nazisme. De inktzwarte wereld waarin de Quangels hun eenzame strijd voeren, wordt bevolkt door opportunisme en gratuite wreedheid. Als het kwaad al banaal is, dan is het in ieder geval ook heel erg lekker – de meeste personages leven zich naar hartelust uit in hun verdorvenheid. De gretigheid van hun roofzucht, het aplomb waarmee ze hun sadisme op hun slachtoffers botvieren, het wordt allemaal zo onomwonden neergezet, zo schaamteloos, dat je soms onwillekeurig in de lach schiet.

Jeder stirbt für sich allein is een roman vol effectbejag; de lezer proeft het melodrama van Hugo, de verlichte waanzin van Dostojevski, het sentiment van Dickens. Het is ook een vuistslag, vol in je gezicht.

De Nederlandse uitgever Cossee, aangespoord door het buitenlandse succes, herdrukte de vertaling van de roman uit 1949; wat een gemiste kans mag heten. Die vertaling is weliswaar herzien en goed leesbaar, maar doet hier en daar stijf aan en de vertaling van volkse accenten zelfs oubollig (daar is in de Engelse vertaling geen sprake van). De laffe Nederlandse titel werd uit het Engels overgenomen, waar het boek als Alone in Berlin in de winkel ligt. Een meesterwerk verdient meer.

Mijn verbazing over de laatste roman van Hans Fallada nam alleen maar toe, toen ik zijn biografie las. Hijzelf was allesbehalve een verzetsstrijder geweest. Hij was niet moedig, en daar kwam hij rond voor uit. Gedurende zijn korte, verknipte leven verklaarde hij steeds opnieuw dat hij geen held was, dat hij enkel wilde overleven. Van dat verlangen had hij een levenskunst gemaakt.

Fallada werd geboren als Rudolf Ditzen aan het einde van de negentiende eeuw in de hogere Duitse middenklasse. Als tiener dweepte hij met romantisch-decadente schrijvers, hij aanbad Oscar Wilde. Op zijn zeventiende besloot hij samen met zijn beste vriend zelfmoord te plegen. Ze deden alsof het om een duel ging. De vriend miste, Ditzen schoot raak – daarna probeerde hij zichzelf tevergeefs een kogel door het hart te jagen. Door connecties werd een moordaanklacht afgewend, maar het leven van Ditzen was voorgoed getekend. Hij bracht een lange tijd in een psychiatrische kliniek door, dronk, raakte verslaafd; om aan geld te komen drukte hij als secretaris van landjonkers waar hij te werk was gesteld, flinke sommen geld achterover – tot tweemaal toe belandde hij in de gevangenis. Door dat alles raakte hij ver verwijderd van de sociale klasse waarin hij geboren was en ontdekte hij zijn eigenlijke onderwerp als schrijver: het leven van gewone mensen in tijden van crisis.

Na een huwelijk met een praktisch meisje uit het volk, vond hij de rust om te schrijven. Zijn grote doorbraak was de vertelling van een jong stel dat zich manmoedig overeind houdt in een Duitsland dat geteisterd wordt door armoede, inflatie en werkloosheid. Kleiner Mann – was nun? werd in talloze landen vertaald, en zowel in Duitsland als in Hollywood verfilmd.

Maar net toen Ditzen zijn leven redelijk op orde had, sloeg zijn wereld op hol. Toen de nazi’s de hele Duitse cultuur in een wurggreep kregen, bleek Ditzen al snel bereid tot concessies. Verschillende malen stond hij op het punt zich in ballingschap te begeven, telkens bedacht hij zich. Noord-Duitsland was het enige landschap waarin hij zich thuis voelde, verdedigde hij zich, Duitsland het enige land waarin hij kon werken – hij was geen held. Regelmatig moest hij in een kliniek worden opgenomen vanwege een zware depressie.

Hij ging boeken schrijven die geen aanstoot konden geven – bleke historische romans en kinderboeken (Hoppelpoppel, wo bist du?). Hij had zich teruggetrokken op het platteland, maar ook het dorpsleven bleek hopeloos vergiftigd: regelmatig werd hij door de omwonenden belasterd bij de autoriteiten, zodat zijn leven binnenste buiten werd gekeerd. Zijn huwelijk van dertig jaar liep stuk, hij begon weer te drinken en morfine te gebruiken.

Maar tegen het einde van de oorlog, in het najaar van 1944, overkwam Ditzen iets fortuinlijks: hij moest opnieuw de gevangenis in. In zijn cel hervond Ditzen zijn schrijverschap – en zijn moed. Hij schreef alle vernederingen die de nazi’s hem hadden aangedaan van zich af op vellen papier – als er een vol was draaide hij het om en pende verder tussen de regels, zodat een vrijwel onleesbaar manuscript ontstond. En passant voltooide hij de roman Der Trinker – over een man die aan zichzelf ten gronde gaat en zelfmoord pleegt. Het was een dubbele zelfoverwinning: hoewel de oorlog ten einde liep, schreef hij in zijn cel op gevaar van eigen leven (terwijl hij zijn haat tegen het regime ruim baan gaf op papier, zei hij tegen zijn bewaker dat hij kinderverhalen schreef).

Meteen na de oorlog had een vriend hem inzage gegeven in de documenten van een merkwaardige daad van verzet: een echtpaar, genaamd Hampel, had aan het begin van de oorlog overal in Berlijn kaartjes in openbare gebouwen achtergelaten met teksten die tegen Hitler gericht waren. Hoewel hij weerzin voelde tegen het gegeven (‘illegaal werk in de Hitler-tijd. Onthoofding van beide helden.’) bleek het schrijven van de de roman een catharsis. Hij voltooide het manuscript in acht weken. Nog voor Jeder stirbt für sich allein verscheen, overleed Ditzen begin 1947 aan een hartaanval – of misschien was het door een overdosis morfine.

Wie Ditzens leven kent, begrijpt dat dit boek geschreven moest worden. Er hing zoveel van af, voor hemzelf, maar ook voor Duitsland. Al zijn frustraties vanwege zijn eigen gebrek aan moed, alle vernederingen die hij te slikken had gehad, zijn zelfhaat wegens de verkwisting van zijn talent, het moest eruit. Hij kon zijn ogen niet opnieuw sluiten: in 1945 was hij ontsteld door het achterbakse gedrag van de bewoners van het dorp waarin hij woonde, alsof ze niets geleerd hadden.

Van het verzetsechtpaar Hampel maakt Fallada het echtpaar Quangel, een zwijgzaam koppel dat in een doorsnee appartementsgebouw in Berlijn woont. In het eerste hoofdstuk krijgen ze van de vrouwelijk postbode Eva Kluge een brief overhandigd waarin gemeld wordt dat hun zoon is gesneuveld bij de invasie van Frankrijk. Die doffe verslagenheid die op dat bericht volgt, vormt de kiem van hun bizarre, jarenlange volgehouden sabotageactie. Fallada slaagt erin hun geloof in hun hopeloze verzet – de honderden kaarten en briefjes met teksten tegen Hitler die ze in trappenhuizen en wachtkamers achterlaten worden vrijwel allemaal meteen naar de politie gebracht – geloofwaardig te maken: voor de Qangels is hun sabotage hun enige houvast in een wereld die iedere zin verloren heeft.

Tegelijk toont Fallada het appartementengebouw waar het echtpaar woont als een microkosmos van nazi- Duitsland: de oude joodse vrouw op de bovenste etage wordt geterroriseerd door het het alcoholistische nazigezin van beneden; in het souterrain woont een kruimeldief en informant, wiens vrouw de hoer speelt. Het nazisme in deze roman is geen ideologie, geen kwalijk geloof van ontspoorde geesten – voor de meeste Duitsers is het gewoon een alibi, een vrijbrief voor verraad en leugenachtigheid, voor ongeremd sadisme. Antisemitisme is een leeg woord in zijn wrede universum: de benedenburen wachten gewoon op een excuus om de oude joodse vrouw van boven te grazen te nemen. Het nazisme is niet onmenselijk, het is juist al te menselijk. Iedereen die verraadt, wordt zelf ook verraden. Wie naar onderen trapt, krijgt zelf een laars in zijn nek.

Dat de Gestapo langzaam maar zeker de Quangels op het spoor komt, is onvermijdelijk. Jeder stirbt für sich allein is doortrokken van een bitter fatalisme, met alleen in de epiloog een sprankje hoop. Een goede afloop is ondenkbaar, de lezer weet dat net zo goed als de schrijver. In zijn optimistische werk geloofde Ditzen hartstochtelijk in het menselijke van de mens, een soort aangeboren goedheid die een individu in staat stelt ongeluk en tegenslag te verduren. In zijn laatste roman is van die rooskleurigheid niets meer over: in Fallada’s gewone man blijkt een monster te schuilen.

Uiteindelijk restte er voor Ditzen alleen nog geloof in Anständigkeit – wat je met fatsoen kunt vertalen, of met rechtschapenheid. Misschien is fatsoen het beste: de weinige helden in Jeder stirbt für sich allein zijn geen denkers, geen bevlogen romantici – ze weigeren gewoon tot beestachtigheid te vervallen, iets in hen verzet zich, omdat je bepaalde dingen nu eenmaal niet doet. Dat is alles. Hun verzet is niet gebaseerd op een geloof, laat staan op een strategie – wanneer alle hoop van de Quangels, die in de overtuiging leefden dat hun haastig gekrabbelde teksten het verzet onder de Duitse bevolking zouden aanwakkeren, de bodem is ingeslagen, klampen ze zich vast aan de gedachte dat zij tenminste niet gezwegen hebben. Maar die emotie is doortrokken met schuldgevoel: met hun verzet jagen ze ook hun naasten de dood in. Het humanisme van Jeder stirbt für sich allein is een humanisme tegen de klippen op, een humanisme dat zich aan een laatste strohalm vastklampt. Wanneer het kwaad zich in een samenleving vertakt, is er slechts een enkeling die daar tegen bestand blijkt – en met die enkeling, maak je geen illusies, loopt het slecht af. Dat is geen waarschuwende boodschap voor onze tijd – het is een snoeiharde aanzegging.