Kijken naar mijn foto's is kijken naar mijn gedachten

In 1977 maakte de Amerikaanse fotograaf Duane Michals een foto in een bar, ergens in de Verenigde Staten. Het zwart-witte kiekje toont een deel van het verlopen interieur, met twee versleten barkrukken, een sigarettenautomaat en een getraliede deur die opent naar de helverlichte straat. Het is een haarscherp, herkenbaar beeld. Maar, schreef Michals er in blokletters boven, er zijn hier dingen die je niet op de foto kunt zien. „Mijn shirt was nat van het zweet. Het bier smaakte goed maar ik was nog steeds dorstig. Een dronkelap praatte luid tegen een andere dronkelap over Nixon. Ik zag een kakkerlak langzaam rond de rand van mijn barkruk lopen.”

Foto’s vertellen maar het halve verhaal, wil Michals maar zeggen. Wat uit zo’n momentopname niet af te lezen is, is wat voor muziek er uit de jukebox klonk, of hoe het er stonk naar sigarettenrook. Sfeer laat zich nu eenmaal niet zo gemakkelijk op foto vastleggen.

Duane Michals, van wie nu een omvangrijke tentoonstelling te zien is in het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, heeft zich met zijn werk altijd verzet tegen het gangbare idee van de foto als ‘beslissend moment’. Hij wil met zijn foto’s verhalen vertellen, herinneringen levend houden. Daarom presenteert hij zijn beelden meestal in series, waaraan hij handgeschreven teksten toevoegt. Ook deinst hij er niet voor terug zijn composities te ensceneren. „Als je naar mijn foto’s kijkt, kijk je naar mijn gedachten”, aldus Michals.

In Rotterdam toont hij foto’s van zijn ouderlijk huis, dat nu een ruïne is. Een mooie vondst is dat hij daar kiekjes uit zijn familiealbum overheen projecteert, zodat je kunt zien dat de muren ooit wel strak gewit waren en er vroeger heus glas in de sponningen zat. Maar ondanks de talloze persoonlijke anekdotes die Michals onder de foto’s heeft geschreven, weet hij je maar zelden echt te raken. Of het nu het zwart-wit van zijn beelden is, hun kleine formaat of hun gekunstelde composities – ze blijven kil en afstandelijk.

Hoe anders is dat bij zijn landgenote Nan Goldin, die in hetzelfde Fotomuseum ook een solotentoonstelling heeft. Goldin is in veel opzichten de tegenpool van Michals. Ze fotografeert in kleur, maakt snapshots en is dus juist voortdurend op zoek naar het ‘beslissende moment’. Maar ze is ook, net als Michals, op zoek naar een manier om herinneringen vast te houden. Goldin begon met fotograferen na de zelfmoord van haar zus Barbara, van wie ze maar weinig foto’s had. Sindsdien achtervolgt ze haar dierbaren op haast maniakale wijze met haar camera, tot in de wc en slaapkamer aan toe.

In tegenstelling tot Michals slaagt Goldin er wel in om met haar foto’s de sfeer van vervlogen tijden op te roepen. Ze doet dat met behulp van muziek, en met mooi gecomponeerde diaseries waarin de snapshots op associatieve manier tot verhalen aan elkaar geregen worden – verhalen die vertellen over prille liefdes, over huiselijk geluk, maar ook over verslavingen en de dood van geliefden. Keer op keer weet Goldin met die beelden onder de huid te kruipen. Zo intiem zijn haar foto’s, dat je als kijker regelmatig gêne voelt.

Goldin heeft geen geschreven tekst nodig om haar emoties onder woorden te brengen. Bij haar spatten de geuren, geluiden en smaken van het fotopapier. Zo waarheidsgetrouw kan fotografie dus zijn.