Ik stel eerst heel scherp de grens

Trudy Coenen is verkozen tot Leraar van het Jaar.

De juf van een Amsterdamse zwarte school wil laten zien hoe lief de kinderen zijn.

Enkele jaren geleden interviewde ik voor NRC Handelsblad een leraar die van het zwarte Montessori College Oost (MCO) in Amsterdam gevlucht was naar een witte school in de provincie. Hij kon niet meer tegen wat hij ervaarde als de bekrompenheid, het seksisme en de anti-westerse houding van de leerlingen, vooral de jongens. Het interview riep nogal wat reacties op. Een oud-collega van de leraar op het MCO, Trudy Coenen, schreef een felle brief waarin ze haar leerlingen verdedigde. Het verzuchtende commentaar van de leraar was: „Ja, Trudy heeft makkelijk praten. Zíj heeft de wind eronder.”

Kort geleden werd Trudy Coenen gekozen tot Leraar van het Jaar. De jury roemde haar als leraar die de leerlingen ‘structuur’ biedt, zich betrokken voelt bij ze en hen ook nog eens haar vak, Nederlands, weet bij te brengen. Of, zoals ze zelf zegt: „Ik ben een strenge moeder voor ze.” Op het MCO is 95 procent van de kinderen van allochtone afkomst, er zijn 56 verschillende nationaliteiten.

Tijdens het gesprek, in haar eigen klaslokaal, kloppen om de haverklap leerlingen aan met een vraag over een toets of een werkstuk. Ze nodigt ze steeds hartelijk binnen en staat hen uitgebreid te woord, de interviewer moet maar even wachten. In die zin lijkt ze inderdaad op een moeder: de kinderen staan altijd voorop.

Wat betekent het voor je dat je Leraar van het Jaar geworden bent?

„Ik hoop dat ik voor van alles en nog wat gevraagd word zodat ik veel kan vertellen over het vmbo in het algemeen en mijn school in het bijzonder. Hoe lief de kinderen zijn, bijvoorbeeld. Ze zijn zó lief. Heb je dat spandoek gezien voor het raam?”

‘Juf Coenen gefeliciteerd. Beste juf van Nederland 2010.’ Lief, ja.

„De kinderen zijn zo trots! Een leraar van hún vmbo is gekozen, uit alle middelbare scholen in het land! De meesten konden het eerst niet geloven. Ik ben er heel blij mee, maar ik vind het ook stuitend om te zien dat ze zoiets nooit verwacht hadden. Het zegt veel over hun beeld van de school en indirect dus van zichzelf.”

De kinderen hebben een laag zelfbeeld.

„Ja, dat is goed tot me doorgedrongen sinds onze reis naar Auschwitz in 2005. Daar gingen we met een klas naartoe in het kader van een project over de Tweede Wereldoorlog. De Poolse douane liet ons zowel op de heen- als op de terugweg uren wachten, zogenaamd omdat onze papieren niet in orde waren. Wij, de docenten, vonden het verschrikkelijk en we hebben bij thuiskomst ook meteen een klacht ingediend bij de ambassade, want voor ons was duidelijk dat het pure discriminatie was, omdat de bus vol zat met allochtone kinderen. De leerlingen zelf haalden hun schouders erover op, ze vonden het niet de moeite waard om te protesteren. Toen besefte ik dat deze kinderen zichzélf vaak niet de moeite waard vinden. Vanaf die tijd hamer ik erop dat ze vertrouwen in zichzelf moeten hebben en dat ze wél iemand zijn.”

Helpt dat?

„Ik neem ze ook overal mee naar toe. Vorig jaar naar de NOVA-studio bijvoorbeeld, waar een debat gehouden werd, vijf jaar na de moord op Theo van Gogh. Dat gebeurde hier pal om de hoek overigens. Zaten we daar in die zaal, met Job Cohen, Eberhard van der Laan en allemaal andere vips. Dan stimuleer ik de kinderen om hen aan te spreken en ze uit te nodigen op onze school. Cohen is geweest, en Aboutaleb, de burgemeester van Rotterdam. Presentator Twan Huys hebben we hier gehad, en Jörgen Raymann. Dat betekent veel voor de leerlingen, voor hun zelfvertrouwen.”

Je staat er ook om bekend dat je goed subsidies weet los te peuteren voor schoolreizen.

„Met mijn mentorklas ga ik elk jaar naar het buitenland, de laatste jaren naar Barcelona. De leerlingen betalen dat zelf, ze sparen er het hele jaar voor. Maar om wat extra’s te kunnen doen, een keer paella eten of zo, krijg ik subsidie van een grote bank. Directieleden van die bank zijn laatst ook op school geweest, bij wijze van maatschappelijk nuttig bedrijfsuitje. Ze wilden gastlessen geven, maar dat vond ik geen goed idee. Wéér van die witte mannen in pakken die zwarte kindertjes komen vertellen hoe ze het gemaakt hebben. In plaats daarvan hebben onze kinderen die directeuren praktijkles gegeven. De hoogste baas zat te timmeren en te schaven, een ander was een wasbak op aan het hangen. Een derde was aan het lassen. ’s Middags hadden we een lunch, door leerlingen klaargemaakt. Het klopte helemaal.”

Hoe komt het dat jij, anders dan veel andere leraren, zo goed met deze kinderen overweg kunt?

„Omdat ik eerst heel scherp en autoritair de grenzen stel. Aan het begin van het schooljaar laat ik niets passeren en wordt er alleen maar gewerkt. Dan is de toon gezet, daarna is er ruimte voor gesprekken met elkaar, en krijg je een soort band. Al houd ik altijd een zekere afstand, ik word geen vriendin, want ik ben ook de hand die straft. Dus het is „u” en „juf Coenen”. Het eerste jaar op deze school, zo’n vijftien jaar geleden, was trouwens verschrikkelijk. Ik zag alleen de drukke, ongedisciplineerde kant van de kinderen, niet hun leuke kant. Ik had wel orde, maar het kostte me veel moeite, het was knokken om te overleven. Vanaf het tweede jaar ging het goed. Intussen is mijn reputatie me vooruit gesneld. Ik heb nu een leerling in de klas wiens oom nog bij mij heeft gezeten. Die had tegen hem gezegd: „Bij juf Coenen zal je wel moeten, want die pakt je aan!”

Wat maakt deze kinderen nu anders dan andere kinderen?

„Niks, het zijn gewone pubers. Voor een groot deel van hen geldt: als ze in een andere wijk geboren waren, zouden ze havo of vwo doen.”

Zijn er geen cultuurverschillen?

„Bepalend is de sociaal-economische positie van hun ouders. De autochtone leerlingen hier op school leven vaak in net zulke schrijnende situaties als sommige allochtone kinderen. Een meisje is letterlijk in de steek gelaten door haar moeder, die vertrok naar haar nieuwe vriend in het buitenland. Het meisje woont nu in een gezinsvervangend tehuis. Zo hebben veel kinderen hun verhaal. Mishandeling, verwaarlozing, het komt hier allemaal voorbij. Natuurlijk zijn sommigen echte etterbakken, maar meestal is dat vervelende kutkind een gekwetst kind. Als je ze eenmaal voor je gewonnen hebt, zijn ze enorm aanhankelijk. Een beetje té. Het zijn de kinderen die ook vallen voor loverboys.”

Maar er zijn toch zeker cultuurverschillen? Neem de seksistische en anti-homo-mentaliteit van veel moslimjongens. Daar heb jij ook mee te maken.

„Natuurlijk. Maar die onzin accepteer ik niet. Ik kan hun denken niet veranderen, maar ik pik het niet als ze discriminerende opmerkingen maken over vrouwen of homo’s. Je hebt artikel 1 van de Grondwet te respecteren, anders ga je maar weg.”

Wat geef je de kinderen mee, behalve vakkennis en zelfvertrouwen?

„Ik ben vaak een doorgeefluik van de Nederlandse samenleving. De meeste leerlingen hebben geen idee hoe het toegaat in Nederlandse gezinnen. Ik nodig mijn mentorleerlingen elk jaar uit bij me thuis, dan kook ik voor ze. De eerste keer zeiden ze: ‘Oh, mooi hier...! En zo nétjes!’ Raar, vond ik dat. Totdat ik besefte dat veel Nederlanders bij hen in de straat tokkies zijn. Of junks. Huizen met vuile ramen, rommel in de tuin. Zij dachten dat alle Nederlanders zo woonden.”

    • Brigit Kooijman