Iedereen slachtoffer

De film ‘Des dieux et des hommes’ is met lof overladen. Maar de naïviteit van de monniken die denken dat ‘hun’ moslims niet zonder hen kunnen, is ergerlijk. „Ik geloof niet in zoveel liefde.”

De film Des hommes et des dieux van regisseur Xavier Beauvois heeft de Grand Prix van Cannes binnengehaald en is de Franse inzending voor de almachtige Oscars. Een waargebeurd verhaal over Franse monniken in Algerije die door moslimmilitanten worden vermoord. O…afloop verraden. Ze gaan dood.

Zoals het een goede Marokkaan betaamt, kom ik te laat op de viewing, tot grote irritatie van andere recensenten. De film begint. Ik nestel me vol verwachting in mijn stoel. Een film die overal fantastische recensies heeft gekregen, een prijswinnaar, kan alleen maar geweldig zijn. Met die houding richt ik me op het scherm.

We landen ergens halverwege de jaren negentig in een Algerijns gebergte waar Berbers wonen en de armoede genadeloos om zich heen slaat. De Algerijnen zijn kind aan huis bij de monniken in een nabijgelegen klooster en ze kunnen altijd bij hen terecht als ze ziek zijn of schoenen nodig hebben. De christenen en moslims leven gebroederlijk naast elkaar. Er is wederzijds respect en voor de Algerijnen zijn de christenen ‘hun christenen’. De monniken zien de Arabieren een beetje als hun kroost. Kinderen voor wie zij moeten zorgen, die zij dienen te beschermen met hulp van Jezus, ofwel in het Arabisch: sidna Isa.

De hoofdpersoon van de film begrijpt de taal en de gebruiken van ‘zijn volk’. Daar geen bekeringsdrang. Hoewel die, als je goed kijkt, wel degelijk aanwezig is, maar subtiel vermomd in overdreven begrip en liefde en schijnbaar onbaatzuchtige liefdadigheid.

Ergens voel ik een steek van jaloezie als ik in de ogen van de monniken onvoorwaardelijke warmte en genegenheid zie voor ‘hun’ arme mensen. Het klooster staat open voor iedereen die hulp of beschutting zoekt. Bij diverse moskeeën is dat ongetwijfeld ook het geval, hoewel in mijn persoonlijke omgeving ik vaker het tegenovergestelde heb meegemaakt.

Het leven van de bergbevolking is een dodelijk saaie sleur die zich herhaalt en blijft herhalen. De monniken staan vroeg op, bidden, de bejaarde doktermonnik helpt kinderen, vrouwen en mannen en voorziet ze van gratis medicijnen. De sleur is in de film zo goed verwerkt dat ik zelf meerdere keren een geeuw probeer te onderdrukken. Ik kijk om me heen en zie andere journalisten aandachtig en bijna met diepe bewondering naar ‘het Franse meesterwerk’ kijken. Ik moet toegeven dat Des hommes et des dieux akelig goed in elkaar steekt. Het leeft, het is echt, en de acteurs zijn geen acteurs maar de daadwerkelijke mannen die met hun ziel de rol van hun leven spelen. Nee, correctie: ze spelen niet, zij zíjn het. De camera volgt de personages van heel dichtbij waardoor ik meegevoerd word in het leven waar overleven het enige is waar men zich zorgen om hoeft te maken. Dat heeft iets geruststellends, want alles is gereduceerd tot één zeer duidelijke opdracht in hun bestaan.

De eerste rimpeling wordt geleidelijk zichtbaar. De fundamentalisten verschijnen; militanten die strijden tegen de wereldlijke macht die zetelt in de hoofdstad van Algerije. Hun verzet eist in hoog tempo slachtoffers. Het is duidelijk: moslims zijn goed met messen. Hoewel ze in deze film ook geweren dragen, zijn ze bedreven in het halal slachten van hun westerse vijanden.

In Des hommes et des dieux wordt niets onder het tapijt geveegd. Het is zoals het is en daarom wordt alles zo pijnlijk zichtbaar getoond. Ondanks dat de sympathieke monnik sympathiek is, wil dat niet zeggen dat de regisseur zijn leven spaart. Dat is het nadeel van Franse films: in tegenstelling tot Hollywood is iedereen slachtoffer. Ook de Algerijnse autoriteiten beseffen dat heel goed. Ze hebben geen behoefte aan schandalen en gezeur uit Frankrijk of de rest van de wereld. Ze hebben genoeg aan het gezeik in hun eigen land en volk met wie ze totaal geen verbintenis hebben. Ze willen zich vooral richten op het onschadelijk maken van de gewetenloze moordenaars. Keer op keer wordt aan de monniken gevraagd om het land te verlaten, uiteindelijk wordt het zelfs geëist. Maar na lang beraad besluiten de trappisten om toch te blijven.

Op dat moment voel ik tot mijn verbazing ineens een diepgewortelde ergernis in me opwellen. Wat begrijpen ze niet? Er is gevaar in Algerije. Niet alleen de blauwogige Jezus-aanhangers worden met slachting bedreigd, ook Algerijnse meisjes zonder hoofddoek worden neergestoken. De moslimmilitanten roeien met veel liefde en in naam van Allah en de profeet christenen, westerlingen én moslims uit die volgens de fundamentalisten bij de ongelovigen horen omdat ze niet de meest rigide wetten van de Koran volgen.

De gewone Algerijnen leven in een verlammende angst. Zij willen het land uit. Ze willen met hun kinderen naar Frankrijk, eigenlijk overal naar toe. Daarheen waar het veilig is. Maar er is geen geld, geen bescherming en ze kunnen ook niet op God of Allah aan. Die kijken voor het gemak even de andere kant op. En dan zijn daar die Franse monniken die wel de kans hebben en krijgen om te vertrekken en zo hun leven te redden, maar toch ervoor kiezen te blijven waar ze zijn. De trappisten zijn zelfs zo vol liefde dat er ergens in de film bijna een band ontstaat tussen een van hen en een militante moslimmoordenaar.

Een uur geleden voelde ik nog sympathie voor die aardige monniken die ik heel graag als buren gehad zou willen hebben. Maar de naïviteit die zij met labradorogen tentoonspreiden zorgt van mijn kant voor verzet en ongemak. Jawel, ze zijn bang, maar ergens proef ik iets wat me licht doet walgen. Algerije is zeer lange tijd een kolonie van Frankrijk geweest. Die twee landen zijn met elkaar versmolten. Toch zien de Fransen de Algerijnen niet als gelijken. Alsof zij bij de hand genomen dienen te worden. Omdat alles wat uit Afrika komt blijkbaar synoniem is met onwetendheid en gebrek aan intelligentie. Een staaltje imperialistisch denken van heb ik jou daar. Hoewel die monniken dat ongetwijfeld niet zo bewust zullen denken, althans… maken ze duidelijk dat het bergvolkje niet zonder hen kan. Zij, de mannen van Jezus, moeten blijven om zo de onschuldige en arme Arabieren te beschermen tegen al dat kwaad. Niet beseffend dat hun verblijf juist voor nog meer gevaar zorgt.

Het leven gaat verder: de kerkklok klinkt dagelijks. Er wordt gebeden, gezongen, de bijbel wordt gekust. Algerijnse soldaten doen er ondertussen alles aan om die idiote christenen het land uit te jagen. Maar nee, ondanks intimidaties blijven de christenen waar ze zijn. Ook nu ik dit opschrijf voel ik ergernis opkomen. Het einde van de film en van de naïeve, aardige monniken komt maar niet snel genoeg. Ik zit continu te wachten tot ze eindelijk doodgaan, want dan kan ik weg.

Hoewel deze film over een periode in de jaren negentig gaat toen Algerije geteisterd werd door honderden slachtpartijen, heb ik ergens het idee dat het ook iets zegt over de politiek in Europa. De aardige Franse mannen willen zo graag goed doen dat ze zich zelfs opofferen voor die arme mensen die niets kunnen. Ze willen hen zo graag begeleiden, omdat ze zo weinig kunnen. Want wat zou er gebeuren als ze toch zouden vertrekken? Het einde van het bergdorpje? Nee, ik geloof niet in zoveel liefde dat een mens zichzelf geheel opoffert. Want wat voor mensen zijn het die zich als non of monnik aanmelden bij een klooster? Dat zijn per definitie vrouwen en mannen die de verantwoordelijkheid van hun eigen leven niet willen dragen, maar zich volledig willen verliezen in het bestaan en de leefwijze van anderen. Dat is namelijk zoveel makkelijker dan je eigen bestaan te dragen.

Tot slot. Ze gaan dood. De tijd van arme Arabieren aan de hand meevoeren is voorbij. Net als de periode van Europees multiculturalisme. De film is bijna symbolisch voor het tijdperk waar we op in leven. Ik wou dat die echte monniken, op wie de film gebaseerd is, eerder hun verstand hadden gebruikt. Misschien leefden ze dan nog en was me een behoorlijk saaie middag bespaard gebleven.

De film Des hommes et des dieux draait vanaf 18 november in de Nederlandse bioscopen.