Hotel Chelsea

Hotel Chelsea staat te koop. Dit door de decennia heen gastvrije onderkomen voor tientallen schrijvers en kunstenaars, een wereldberoemd gebouw dat op de monumentenlijst van New York staat en ook inwendig nog min of meer in de oorspronkelijke staat is, zal van eigenaar wisselen. Wat gaat er nu weer gebeuren?

Door toeval ben ik er voor het eerst gekomen in 1986. De eigenaar van het appartement waar ik toen woonde, had van de ene dag op de andere de huur verdubbeld, onverbiddelijk. Dat kon ik niet betalen. Ik belde een goeie vriend, Jan Vrijman, die in het Chelsea logeerde. Kom hier, zei hij. Dat zal je bevallen. Het is net een kraakpand. Ik pakte mijn spullen en nam een taxi naar de 23ste straat nummer 222. Jan had niets te veel gezegd. De lobby zag er goed uit maar op een of andere manier was het er ook een ordeloze bende. Aan het plafond hing een schommel met de pop van een vrouw erop, alle muren waren dicht behangen met schilderijen, op de schoorsteen stond een borstbeeld van Harry Truman, en een ander beeld had zijn hoofd in de opening van de open haard gestoken. Behalve dit laatste staat alles er nog.

De volgende ochtend nam ik de tijd om de gevel te bekijken. Majestueus, eind negentiende eeuw, met veel ijzerwerk aan de balkons. Toevallig was het 1 mei. Op het gebouw aan de overkant woei de rode vlag. Daar zetelde het hoofdkwartier van de Amerikaanse communistische partij. Voorzitter Gus Hall.

Ik had kamer 430 gekregen, voor 85 dollar en als ik een week zou blijven was er één nacht gratis. Ik ben een maand gebleven en toen moest ik terug naar het vaderland. Intussen heb ik ruim de tijd genomen om het gebouw en zijn vaste bewoners te bekijken. Een oude dame die iedere avond om zes uur naar de ZigZag ging, een kroeg een paar huizen verder. Een oude man van wie me werd verteld dat hij de kleinzoon van Bertold Brecht was. Nog wat wild uitziende typen die duidelijk het kunstenaarschap uitstraalden. En dan was er de directeur, Stanley Bard, van wie me werd verteld dat hij behalve een gewiekst zakenman ook de beschermer van arme kunstenaars was.

Voor de ingang zag je vaak toeristen foto’s maken van de bronzen platen die in de muur waren bevestigd. Die zijn er ook nog. Arthur Miller, Brendan Behan, Thomas Wolfe, Dylan Thomas en Leonard Cohen hebben in het Chelsea gewoond. En Jan Cremer. Er is een beroemde moord gepleegd. Een zekere Sid heeft er een zekere Nancy doodgeslagen. Dat waren ook zeer bekende Amerikanen in die tijd maar tot mijn spijt kan ik u nu geen nadere bijzonderheden geven. Wel gaat het verhaal dat ieder jaar op het ogenblik van deze misdaad de twee liften even tussen twee verdiepingen blijven hangen.

Een paar jaar geleden werd Stanley Bard door een nieuwe eigenaar opzij geschoven. Nu zal Hotel Chelsea misschien opnieuw van eigenaar veranderen. Er zijn al plannen voor een drastische modernisering. Achter de ontvangstbalie moeten een bar en een lounge komen. Alsof er niet genoeg vertier in de buurt is. Wat gaat er met al die schilderijen gebeuren? Welke moderne jongeren lopen op het ogenblik rond met plannen om dit monument in een airconditioned, gedigitaliseerde jeugdherberg te herscheppen? Of een historisch lustoord voor de rijken. Als ik het geld had, kocht ik het hotel meteen, voor het te laat is.

    • H.J.A. Hofland