Hier ram je een seksuele 'afwijking' er gewoon uit

Richard de Nooy: Zacht als Staal. Nijgh & Van Ditmar, 208 blz. € 17,50

Homo zijn in Zuid-Afrika: je kan het beter treffen. Zeker eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, toen er nog psychiaters op je werden losgelaten om je te ‘genezen’, of toen je in een militair strafkamp terechtkwam waar tegennatuurlijke fantasieën met elektroshocks werden bijgestuurd.

Zacht als Staal, de tweede roman van Richard de Nooy, gaat over de plattelandsjongen Staal met diezelfde ‘tegennatuurlijke fantasieën’. Aan alle kanten wordt geprobeerd hem van zijn ‘afwijking’ af te helpen en dat gaat gepaard met pesterij, vernedering en marteling. Zijn moeder, die weinig heeft gedaan om hem te beschermen, stuurt hem naar Amsterdam en er gaat een nieuwe wereld van gaybars, drugs en gelijkgestemde kappers voor Staal open. Hij moet het echter met de dood bekopen: zijn lichaam wordt enige tijd later uit een gracht gevist.

Het is een verademing dat de hardheid van Zuid-Afrika in die jaren nu eens niet belicht wordt vanuit het perspectief van de apartheid, maar aan de hand van een wereld die geworteld is in het ideaal van de Afrikaner heteroboer.

Wanneer ze hoort over de dood van haar zoon, vertrekt moeder naar Amsterdam om te achterhalen wat er gebeurd is. Gelukkig neemt moeders queeste niet de vorm aan van een rechttoe-rechtaan detective, maar wordt het verhaal verteld door Rem, Staals biograaf.

Rem kwamen we ook al tegen in De Nooys debuut Zes beetwonden en een tetanusprik. Ook daarin werd aan de hand van terugblikken een verhaal verteld over een vaderloze jeugd, de gevolgen van geweld en de omgang met een belast verleden. Toen draaide het om de daders (van wie Rem er eentje was), in Zacht als Staal daarentegen staat het slachtoffer centraal.

De valkuil van meelijwekkend slachtofferproza weet De Nooy te vermijden: Zacht als Staal is dan ook zeker niet minder geslaagd dan het debuut. Dat is te danken aan de documentaire-achtige opzet (verschillende personages geven hun visie op de gebeurtenissen rondom Staal), waardoor misplaatst sentiment geen kans krijgt.

Ook de stijl is deze keer even onderkoeld als geestig. Hoogtepunt is een opstel dat Staal schrijft over een boer die zijn ezels ‘melkt’. Het bestialiteit-verhaal vindt weinig waardering bij de schoolleiding en ook thuis zijn ze er niet blij mee. Voor straf worden verderfelijke Agatha Christie-boeken verbrand: een oom van Staal vermoedt namelijk dat in die boeken de afwijkende seksuele moraal aan de orde komt die hij uit Staal probeert te rammen.

Dat Rem als biograaf aan het woord komt, heeft ook zijn nadelen. Het wordt geforceerd wanneer Staal wordt toegesproken om de structuur van het boek uit te leggen. Of wanneer Rem uitlegt dat hij de macht heeft het verhaal anders te laten lopen: ‘Ik besef ook dat ik je nu nog kan redden. Dat zou ik graag willen doen, maar dan zou er weinig overblijven van het verhaal.’ Dat zijn achterhaalde spelletjes met de onmacht van de almachtige verteller.

De Nooy weet namelijk schitterend twee werelden op te roepen: het nietsontziende Zuid-Afrika en de ‘gay is beautiful’-mentaliteit van de jaren tachtig die minstens zoveel geweld in zich blijkt te herbergen. Tussen die twee werelden moet Staal zien te schipperen – en verdrinkt.