Heb de woeste wildheid lief

Er bestaan angstwekkende wildernissen, aldus Kester Freriks. Nee, niet in Amerika, maar in Nederland. Van Vlieland tot het Geuldal trok hij erop uit. En zo ontstond volgens Arjen Schreuder een ode aan de woeste, onoverwinlijke natuur.

Kester Freriks: Verborgen wildernis. Athenaeum-Polak & Van Gennep, 367 blz., € 34,95

Over wildernis worden we het zelden eens. Wilde natuur is net godsdienst. Iedereen begrijpt wel ongeveer wat ermee wordt bedoeld, maar een gelovige wil toch maar al te graag uitleggen wat hij er precies onder verstaat, en dat is doorgaans net iets anders dan een ander.

We waren dus erg benieuwd naar het boek dat Kester Freriks heeft geschreven over verborgen wildernissen in Nederland. De auteur heeft in twaalf maanden vijfentwintig meer of minder wilde natuurplaatsen bezocht. Rondgestruind heeft hij er. Nagedacht over wat andere schrijvers en natuurkenners er eerder over te berde hebben gebracht. Een enkele keer heeft hij er buiten de nacht doorgebracht. Omgeven door het zachte keffen van vossen, starende herten en het ‘sidderend geluid’ van een bosuil. Zelfs in de sneeuw sliep hij, alleen gewapend met grondzeil en slaapzak.

Kester Freriks treedt de wildernis ootmoedig, bijna angstig, tegemoet. Hij wil Nederland niet zien als een land met lieflijke natuur en bijvoorbeeld de Limburgse heuvels omschrijven als ‘oogstrelende landelijkheid’. Wandelend door het Geuldal beseft hij dat het in werkelijkheid gaat om een voormalige zeebodem met heffingen en dalingen, ‘hoogtes omringd door afgronden’. Want nee, ook in Nederland valt met de natuur niet te spotten. ‘De bedreigde en vaak verloren schoonheid van het Nederlandse landschap is niet pittoresk, maar woest, soms zelfs ongastvrij en bedreigend.’ Hier en daar mag de Hollandse natuur aandoenlijk lijken, in weinig lijkend op de machtige schoonheid van grote wildparken in verre streken, maar dat is schijn, want ook dit land is gewonnen op de vreeswekkende natuur, het kolkende water, de ‘gevreesde waterwolf’ die elk moment weer zijn vernietigende kracht kan doen gelden.

Zwierige volzinnen

De stijl van Freriks is zoals we van hem gewend zijn: geen hamerende redeneertrant die je van het belang van wildernis moet overtuigen, maar zwierige volzinnen vol adjectieven en synoniemen, lange opsommingen en subtiele herhalingen. Ronde zinnen zijn het, die hij als draden van een spinneweb om de lezer windt. Bedwelmende zinnen veelal, die je langzaam maar zeker voor zijn standpunt winnen. Freriks schrijft eigenlijk een beetje zoals ook de natuur op hem overkomt: een mysterieuze kracht die de beschouwer hypnotiseert, omwikkelt en bedwelmt.

Het boek bevat een reeks fraaie verslagen van tochten door de ruige natuur. Ze gaan vergezeld van bijpassende oude kaarten plus leerzame beschrijvingen door Jan Werner, conservator van de kaartencollectie van de Universiteit van Amsterdam. Het boek is ook nog eens ingedeeld in hoofdstukken van telkens twee reportages die per maand werden gemaakt, in verschillende seizoenen.

Ook beschrijft Kester Freriks nauwkeurig hoe laat hij waar precies heeft gewandeld en deze uitputtende plaatsbepalingen hadden soms wel wat minder gekund. Dat op Vlieland de Vierde Duintjes raken aan de Scherm, een moeizaam begaanbaar pad van houtschilfers en helmgras dat in het verlengde ligt van de Derk Hoekstrastuifdijk – we geloven het wel.

Veel mooier zijn de gloedvolle beschrijvingen van de wilde natuur zelf, en Freriks’ gedachten daarover. Dit boek vat het begrip wildernis breed op. Als ik het goed heb begrepen, schuilt de wildheid van de natuur niet zozeer in de afwezigheid van de mens, als wel in de kracht van de natuur die zich aan mensen weinig gelegen laat liggen. De natuur kan worden gekanaliseerd, beknot en zelfs vernietigd, maar kruipt toch altijd weer op. Wildernis zit ’m in een berkenboom aan een kade waar de auteur woont. Die boom is ‘in de luwte van een elektriciteitskast’ opgeschoten en zou ‘als de tegels openbarsten’ een bos kunnen vormen. ‘Geef de natuur de vrijheid, en ze grijpt haar kans.’ Wildernis is ‘een plek zonder wetten’ die het bevattingsvermogen te boven gaat, het is de ‘deur naar het onbekende’. Dat besef zijn we verloren en we krijgen het alleen nog terug als bijvoorbeeld het verkeer verlamd wordt door kou en sneeuw. ‘In een door en door geordend land als het onze, waaruit elke dreiging verbannen lijkt, is het enige ‘wilde’ de weersgesteldheid.’

Verrassend is Freriks’ nogal resolute verwerping van pogingen om verloren gegane natuur in Nederland te herstellen. Dat vindt hij maar niets. Hij wandelt rond in de Oostvaardersplassen en is ‘opgewekt’ bij de gedachte dat deze natuur kort na het inpolderen van Flevoland bij toeval is ontstaan, toen plannen voor een industriegebied even stillagen en de natuur de rijke zeebodem veranderde in ‘een wildernis van zegge, rietlanden, lisdodde, vlier, elzenopslag, kruipwilg’. Maar wat spijt het hem dat mensen er vervolgens toch niet met hun handen af zijn gebleven, er edelherten, konikpaarden en heckrunderen naartoe hebben gebracht en de wildernis volgens protocollen ‘beheren’.

Tiengemeten

Ook het tot natuur omgetoverde Zuid-Hollandse eiland Tiengemeten moet het ontgelden. ‘Deze kunstmatige wildernis heeft weinig met de echte wildernis te maken.’ De geschiedenis van een door de tijd heen gegroeid landschap is verdwenen, klaagt hij, zich storend aan de Schotse Hooglanders. ‘Begin ermee de grote grazers met de laatste veerboot terug te zetten daar waar ze horen, in de Schotse Hooglanden.’ En ook de ontpolderingen in Zeeuws-Vlaanderen kunnen niet op zijn sympathie rekenen. Met plezier wandelt hij door de Hedwigepolder waarover in politiek Den Haag zoveel te doen is omdat die aan het water moet worden prijsgegeven. ‘Maar dat is een verraderlijk idee.’

Hij gebruikt het woord niet, maar voor Freriks lijkt natuurherstel iets pervers: niet een poging om het aanhoudende verlies van biodiversiteit een halt toe te roepen en het landschap te beschermen tegen bouwwoede, maar de zoveelste manifestatie van de mens om natuur naar zijn hand te zetten, te bedwingen. Ons daarmee de uitgelezen kans ontnemend om te worden geconfronteerd met echte natuur, te worden overweldigd door de onvoorspelbare wildernis. De ‘nieuwe natuur’ bewerkstelligt dus het omgekeerde van wat natuurbeschermers beogen.

Freriks is een romanticus. Hij is geen vorser die de natuur rustig analyseert, hij trekt de wijde wildheid tegemoet. Niet alleen door een drang om de majesteitelijke natuur te ervaren, maar zelfs om in deze onaanraakbare wildernis te worden opgenomen. Kenmerkend voor de wildernis is in de ogen van de dichterlijke wandelaar dat zij niet beseft te worden waargenomen. ‘De natuur vindt in al haar vitaliteit een bestaansrecht dat de mens buitensluit, overbodig maakt.’

Misschien des te groter Freriks’ hang om op te gaan in het landschap dat zich om hem heen vouwt, dat de nietige wandelaar overmant. Zoals in zijn verslag van zijn reis naar Almelo, het landschap van zijn jeugd, trekkend langs het in onbruik geraakte kanaal van Almelo naar Nordhorn: ‘Zolang ik het kanaal ken, gaat er een intense verlatenheid vanuit’, schrijft hij. ‘De afwezigheid van scheepvaart zorgt ervoor dat verwildering kan toeslaan.’ Hij herinnert zich dat hij hier eens vastliep in haagdoorns, tijdens het volgen van een nachtvogel. ‘De doornige twijgen grepen me vast, alsof met duizend armen iemand me tegenhield, tegen de grond drukte. Hier mocht ik nooit weg, er was geen ontkomen aan. De wildernis zou over me heen groeien en zich over mij ontfermen.’

    • Arjen Schreuder