'Hé Mick, hoor eens wat ik heb geflikt'

Sex & drugs & rock-’n-roll – het zijn de kerntaken in ‘Life’, de autobiografie van Rolling Stone Keith Richards, die aanstekelijk vertelt over muziek.

Keith Richards: Life. M.m.v. James Fox. Orion/Weidenfeld & Nicolson, 575 blz. € 25,- (Nederlandse vertaling door Jolande te Lindert verscheen bij Bruna, € 24,95)

Keith Richards was een jongenssopraan die met zijn school de landelijke finale in Londen haalde, hij was een enthousiast lid van de welpen (‘ik las alle boeken van Lord Baden Powell’) en zijn bijnaam was monkey. Het is dezelfde Keith Richards die later de donkere kant van de Rolling Stones vertegenwoordigde, decennialang stijf leek te staan van de drugs en met Mick Jagger een van de legendarische componistenduo’s in de popmuziek was. Nu is hij een bijna 67-jarige man die voor het schrijven van zijn memoires naar verluidt een voorschot van 7 miljoen dollar kreeg.

Richards en zijn ghostwriter James Fox beginnen hun verhaal met een arrestatie van de Rolling Stones in Fordyce in Arkansas in 1975, een dorpje waar de jaren zestig aan voorbij zijn gegaan. Er is een dorpssheriff die dit langharige tuig wel eens even een lesje zal leren, plus een stomdronken rechter en een superadvocaat. Hoewel de auto van de Stones tot de nok is gevuld met drugs weet de superadvocaat, die uiteraard in dienst is van de Stones, na enig oponthoud de band vrij te krijgen.

Het verhaal is typisch Stones: ze zijn weer eens op tournee en botsen met de gevestigde orde. Bijna alle elementen uit het verhaal keren in een of andere vorm terug in de rest van Life, dat vanaf hoofdstuk twee het leven van Richards chronologisch beschrijft. We komen het een en ander te weten over Gus, zijn muzikale grootvader, en zijn ouders; we doorlopen zijn jeugd en we maken kennis met het dorp Dartford op twintig kilometer ten zuidwesten van Londen. Mick Jagger en Richards groeiden daar beiden op, maar kenden elkaar als kind nauwelijks. Pas later, eind 1961, heeft bij het station Dartford de legendarische en cruciale ontmoeting plaats als Jagger met een tas vol Amerikaanse grammofoonplaten Richards tegen het lijf loopt. De twee herkennen elkaar van de lagere school en zijn verrast dat ze dezelfde muzikale interesses hebben, zoals de Amerikaanse blues. Die ontmoeting was het begin van nieuwe vrienden en wekelijkse oefensessies, schreef Richard in een vorig jaar opgedoken brief uit 1962.

Bentley

Life – en Richards – is op z’n best als Richards vertelt over muzikale invloeden en ontwikkelingen. Als het gaat over drugs begint Richards al gauw te klagen over de politie. Als het gaat over seks, vertelt opa hoe hij achterin zijn Bentley werd gepijpt. En als het gaat over hoe ze in 1990 bandgenoot Bill Wyman aan de kant zetten, windt hij zich erover op dat de man vliegangst had ontwikkeld en dat dat aanstellerij was, maar misschien ook weer niet. Het krijgt soms iets zeurderigs en zieligs. Willen we dat allemaal weten, vraag je je af.

Maar over muziek kan Richards met enthousiasme vertellen. Zo blijkt hij zijn voordeel te hebben gedaan met zijn afgeplatte, puntige rechterwijsvinger met een kromgegroeide nagel, het resultaat van een zware steen die op zijn vinger viel toen hij negen was. Hij denkt dat hij er beter door kon tokkelen op de gitaar.

Belangrijker nog zijn de platen die hij van jongsaf aan hoorde. Elvis, Muddy Waters, Eddie Cochran, Buddy Holly, Robert Johnson, Jimmy Reed, Bo Diddley, B.B. King schuift hij naar voren als belangrijkste invloeden. Richards weet vaak nog precies op welk moment hij een plaat voor het eerst hoorde en wat het met hem deed.

In de loop van 1961 vormden Jagger en Richards een band. De naam Rolling Stones ontstond toen bandlid Brian Jones een advertentietje wilde doorgeven en hij gevraagd werd naar de naam van de band. Op de grond aan zijn voeten lag de plaat The Best of Muddy Waters en het eerste nummer daarop is ‘Rollin’ Stone’.

Jagger, Richard en Jones huurden destijds gezamenlijk een appartement in Fulham en Richards heeft er duidelijk plezier in het huishouden tot in de smerigste details te beschrijven. De winter van ’62-’63 was de koudste sinds 1740 en ze waren alledrie straatarm. Ze stalen uit winkels, verzamelden lege flesjes bij kroegen en kochten etenswaren van het statiegeld. Ondertussen leefden ze voor de muziek.

‘Hey Joe’

Toen er een drummer bij kwam, Charlie Watts, stond er een echte band. Weer iets later kwam Bill Wyman erbij en hij had niet alleen een basgitaar, maar ook een goede versterker. Jagger en Richards waren praktisch vanaf het begin de songwriters van de Stones en Richards vertelt minutieus hoe liedjes tot stand kwamen en wat de achtergronden zijn. Hij vertelt hoe de Stones en de Beatles het uitkomen van hun singletjes met elkaar afspraken, hoe Jimi Hendrix aan het liedje ‘Hey Joe’ kwam, hoe hij Chuck Berry en Johnny Johnson weer samenbracht en dat hij ergens nog een bijna voltooide compositie van Paul McCartney en hemzelf heeft liggen.

Met Brian Jones rekent Richards af in een lang verhaal over een reis naar Marokko. Richards had het omstreeks 1967 helemaal gehad met Jones, die er volgens Richards al jaren de kantjes vanaf liep. Ook steeg de roem hem naar het hoofd en wilde hij vooral met beroemdheden worden gezien. Bovendien sloeg Brian Jones zijn vriendin, Anita Pallenberg, zegt Richards. Na een inval en een arrestatie wegens drugsgebruik in 1967 besloten Jagger, Jones en Richards een vakantie te nemen in Marokko. Tot in detail horen we over de reis per auto. Meer dan veertig jaar na dato probeert Richards recht te breien dat hij Anita Pallenberg, de vriendin van Brian, overnam. Twee jaar later werd Jones uit de groep verwijderd en niet lang daarna kwam hij te overlijden in zijn zwembad, zwaar onder de invloed van pillen.

Richards heeft nog meer appeltjes te schillen. Met Mick Jagger bijvoorbeeld, met wie hij zich een paar jaar geleden heeft verzoend na tientallen (!) jaren van turbulentie. Een groep waarvan de leden zo intensief met elkaar optrekken is als een snelkookpan. Richards die Jones’ vriendin afpakt, Jagger die vervolgens een nacht doorbrengt met dezelfde vriendin en Richards die weer wraak neemt door Jaggers vriendin Marianne Faithfull te versieren – Richards beschrijft het allemaal op een manier alsof hij het na al die jaren Jagger wil inpeperen. Hij richt zich in het fragment direct tot Jagger: ‘while you were doing that, I was knocking Marianne, man.’

Jagger krijgt van alles naar zijn hoofd: hij heeft de Stones verraden door een ridderorde aan te nemen, hij heeft het nooit kunnen hebben dat Richards andere vrienden had, en noemde de Stones eens molenstenen. In interviews over zijn boek heeft Richards steeds benadrukt dat Jagger alles van tevoren heeft gelezen. We mogen dus aannemen dat de Stones ook het boek Life wel zullen overleven.

Life gaat uit als een nachtkaars. Richards is nu gelukkig getrouwd met Patti Hansen en omgeeft zich met kinderen en kleinkinderen. Hij reist en brengt tijd door in diverse huizen die hij bezit. Doris, zijn moeder, is onlangs overleden. En o ja, dat hij zijn vaders as heeft opgesnoven is waar. De meeste as uit de urn werd uitgestrooid aan de voet van een eik, maar uiteindelijk lag er nog wat op tafel. Richards kon het niet over zijn hart verkrijgen zijn vader met een doekje af te vegen. Hij streek erover met zijn vinger en snoof hem op.