Contact

‘Kun je me zien?”„Ik zie helemaal niets.”„En zo?”„Zet de camera eens iets hoger.”

„Wat zeg je?”

„Wacht, ik probeer even iets.”

Mijn vriend, van wie net nog een flard in beeld was, is nu van mijn beeldscherm verdwenen. Ik staar in een zwart gat.

„En zo?” vraagt hij.

„Ik zie je niet meer.”

„Maar ik jou wel.”

Ik probeer de camera in te kijken, maar raak afgeleid door mijn eigen hoofd, in een klein kader, linksonder in het zwarte vlak. Vreemd om naar mezelf te kijken terwijl ik in gesprek ben met mijn geliefde. Ik zie mijn mond zinnen vormen. Ik zie dat mijn hoofd licht opzij helt wanneer ik luister. Mijn haar zit niet goed, ik veeg het achter mijn oor. Ik zie dat mijn bureau erg slordig is en schuif de troep uit beeld.

Terwijl ik in het zwarte veld zoek naar mijn vriend, denk ik aan een nieuw werk van Sophie Calle, The Last Image, dat ik zag in Art Port, Istanbul. Ze toont een reeks portretten van blinden. Naast de portretten is te lezen wat ze als laatste hebben gezien. Details uit deze verhalen keren terug op begeleidende foto’s. Een bank, een baai, een stationsklok.

Ik lees over ongelukken. Een verkeersongeluk, een gevecht, een mislukte operatie. De taal is recht voor zijn raap en droog. Een enkele geschiedenis springt eruit, zoals die van een man die precies en staccato vertelt, als een oplettend kind: „Ik was elf. [...] Een meter of dertig bij me vandaan zag ik een jager op de rug. [...] Hij liep bij me vandaan. Ik volgde hem met mijn ogen. Een kwartel vloog hem voorbij.

Zijn hond kwam achter de vogel aan. De jager zag zijn hond. Toen richtte hij zijn geweer op de vogel. De vogel vloog over de jager heen en kwam op mij af. De jager draaide zich langzaam om. Hij haalde de trekker over. Ik zag de kwartel vliegen, de hond springen en de jager bewegen. Ik hoorde het geweer afgaan. Ik sloeg mijn handen voor mijn ogen.”

Andere verhalen zijn bijna schokkend alledaags. Een man die geen idee had dat hij de volgende ochtend niets meer zou kunnen zien vertelt: „Ik at met mijn vrouw en zoon. Mijn vrouw ging slapen. Ik speelde een tijdje met mijn vierjarige zoon en deed het licht uit.”

Ik werd er ongemakkelijk van, mijn blik te laten glijden langs de uitgedoofde ogen. Ik realiseer me nu dat Sophie Calle een uitvergroting biedt van de aard van het portret. Elk afgebeeld gezicht biedt immers, als van een blinde, een hoofd dat niet weet dat het bekeken wordt.

Mijn vriend is weer in beeld. Ik merk dat ik naar mezelf blijf kijken. Ik wil weten hoe ik op hem overkom. Zou mijn vriend ook naar zichzelf kijken? Op mijn beeldscherm kan ik dat niet nagaan, de Skypebeelden zijn er te vaag voor.

Het is goed mogelijk dat iedereen heimelijk naar zichzelf kijkt, terwijl we elkaar over enorme afstanden proberen te bereiken.