Bevalling als religie

Als het goed gaat, gaat het goed. Gaat het mis, dan gaat het goed mis. Oftewel: bevalt een vrouw onder begeleiding van een verloskundige en zijn er geen complicaties, dan is er niks aan de hand. Smeer de beschuit-met-muisjes.

Maar moet zo’n door een vroedvrouw geleide bevalling worden onderbroken voor problemen die alleen een gynaecoloog kan oplossen, dan stijgt het risico aanzienlijk. De kans dat het pasgeboren kind het niet zal overleven wordt ineens bijna vier keer zo groot.

Dat is angstaanjagend veel. Want de helft van de vrouwen die een eerste kind baren en daar thuis mee beginnen, eindigen in het ziekenhuis en lopen dat verhoogde risico.

In Nederland wordt bevallen gezien als iets heel speciaals. Wie een kind krijgt hoeft zich niet per definitie over te geven aan gespecialiseerde medische zorg. Zij kan zich verlaten op de intiemere begeleiding van de verloskundige. Een mooi, menselijk systeem. Desondanks is het sterftecijfer van de boreling vlak voor of direct na de bevalling in Nederland een van de hoogste van alle Europese landen. In een uitvoerig onderzoek concludeert een groep Nederlandse wetenschappers nu dat de oorzaak van die exorbitante sterfte precies ligt bij dat oer-Nederlandse systeem van verloskundige hulp naast gynaecologische hulp.

Niet dat verloskundigen slecht werk leveren. Maar voor kraamvrouw of pasgeborene die onder de hoede van een verloskundige onverwachts in de problemen komt, dreigt veel oponthoud: een verloskundige kan het gevaar trager onderkennen dan continue ziekenhuiscontrole. Het vervoer naar een ziekenhuis houdt de zorg op. En bij de daadwerkelijke overdracht neigt een gynaecoloog gevaar te onderschatten: de vrouw stond immers te boek als patiënt met een laag risico.

Het sterven van een bijna of nieuwgeboren kind is rampzalig. Het betekent vaak levenslang leed voor de ouders. Alleen al daarom mogen de verloskundigen zich niet onttrekken aan de cijfers en het onderzoek. Ze moeten een antwoord formuleren op de conclusie dat de sterfte rondom de geboorte direct samenhangt met de overdracht van de kraamvrouw aan de gynaecoloog. Ze horen hun functioneren te heroverwegen, en te onderzoeken hoe ze reëler kunnen omgaan met de risico’s van een bevalling.

Het zou goed zijn als de soms bijna religieuze voorkeur in Nederland werd getemperd die geldt voor bevallen onder leiding van een verloskundige, thuis of in een geboortecentrum: voor alles als er maar geen gynaecoloog aan te pas komt. Waarom wordt er lichtelijk honend gesproken over het ‘medicaliseren’ van de bevalling, tegenover het baren als zo ongeveer mystieke gebeurtenis die niet mag worden bedorven door ziekenhuispersoneel?

Een bevalling is geen ziekte, dat klopt. Maar het krijgen van een kind vraagt veel van het vrouwenlichaam, en ook voor een baby is geboren worden lichamelijk erg zwaar. Als twee lichamen het tegelijk en in relatie tot elkaar zo te verduren krijgen, dan is medische bijstand behulpzaam. Of het tweetal nou iets mankeert of niet.