Vieze motels, bier en een dieet van hamburgers

De geschiedenis van de jaren-70-band The Runaways biedt voldoende stof voor een onweerstaanbare film.

Maar The Runaways verliest focus.

Kim Fowley (Michael Shannon), de producer van the Runaways die de leden uitscheldt, kleineert en tegen elkaar opstookt. scene uit de film The Runaways (2010) FOTO: Independent Films

Was de meidenband The Runaways feministisch of seksistisch? Wie weet allebei. Ze gaven meisjes stoere rolmodellen en jongens moderne sekssymbolen. „This isn’t about women’s lib, this is about women’s libido”, kraait cultproducer Kim Fowley. Het is 1975, Britse glamrock met androgyne sterren als David Bowie is in de mode. Fowley vermoedt dat de wereld wacht op het contrapunt: meiden die rauwe, viriele seksualiteit uitstralen. Slechte meiden.

Groter dan The Beatles werden The Runaways niet, zoals Fowley aanvankelijk voorspelde. Tussen 1975 en 1979 was de band een rage in Japan, in Amerika kwam de doorbraak nooit echt. Een voetnoot in de rockgeschiedenis dus: alleen Joan Jett werd later met haar hit I Love Rock ’n Roll een rockgodin. Maar in die vijf jaar werden vijf tienermeiden volwassen onder de hysterische loeiboei Fowley, die hen uitschold, kleineerde en tegen elkaar opstookte. En bevrijdden ze zich van hem.

De film begint als de piepjonge Joan Jett de producer benadert. Fowley, al langer op zoek naar een meidenband, stelt Jett voor aan drummer Sandy West en zoekt de rest erbij. Als vuilbekkende drilsergeant smeedt hij de zes meisjes in een zweterige trailer om tot rockband: Fowley laat ze zelfs met vuilnis bekogelen om ze te harden. Vervolgens stuurt hij The Runaways zonder geld op tournee, van het ene naar het andere vieze motel, op een dieet van hamburgers, bier en pillen.

Voldoende stof voor een onweerstaanbaar tijdsbeeld over tienermeisjes verdwaald in een wereld van seks, drugs en rock-’n-roll. En als zodanig is The Runaways aanstekelijk genoeg om de gebreken in het script op te vangen.

De film concentreert zich op de driehoek van gitarist Joan Jett, frêle zangeres Cherie Currie en producer Fowley. Helaas staat de schijnwerper te vaak op Currie: haar autobiografie is de basis. En Currie is niet het interessantste lid van de driehoek. Ze werd in 1975 opgepikt om de band sexappeal te geven met een „mix van Bardot en Bowie”. Als pornodiva in wit korset met jarretelgordel trok ze alle aandacht, tot ze de groep verliet na een hysterische Japanse tournee en wegzakte in drugsverslaving.

Currie is de ‘little girl lost’ in de vuige rockwereld, Jett de overlever: na afloop zie we haar broeien op toekomstige glorie. Aanvinken dus: geschikt/ongeschikt. The Runaways verliest focus bij het uitdiepen van de oorzaak van Curries falen: complexen over haar dronken vader en egocentrische moeder, een Maria-en-Martha-relatie met haar zwoegende tweelingzus. Dat psychodrama leidt af van wat deze rockfilm spannend maakt: de troebele groepsdynamiek tussen meisjes die naar hun imago proberen te leven in een maalstroom van geruzie, drugs en seksuele experimenten. En de wrijving tussen dat vrijgevochten imago en feitelijke onderwerping aan het perverse vaderfiguur Fowley, een prachtige rol van acteur Michael Shannon.

Meer Fowley en Jett, minder Currie, dat had geholpen. Nu is The Runaways een fijne, maar zwalkende periodefilm over ‘the school of rock’ anno 1975.

The Runaways Regie: Floria Sigismondi. Met: Kristen Stewart, Dakota Fanning. In De Melkweg, A’dam, dan op tournee.