Troups

En toen belde Obama nog even met Rutte.

Zijn hoofd stond er niet naar, hij had wel iets beters te doen, maar elke keer dat hij in het Witte Huis even troost zocht bij Michelle – en dat was op deze dag vaak nodig – schoot een ambtenaar van Buitenlandse Zaken hem op de gang aan: „Heeft u Rutte al gebeld?”

Aanvankelijk had hij verbouwereerd opgekeken. Rutte? Hoe the heck (fuck zegt de president nooit) is Rutte? The Netherlands? Wait a minute, Brussels? In die buurt toch? De ambtenaar had zich bezorgd naar hem toegebogen en indringend gefluisterd: „Afghanistan, mister President.”

Toen ging hem een licht op. Natuurlijk. Afghanistan. Troups. Hij zuchtte. „Ja, ik bel wel, maar eerst de persconferentie en dan Nancy Pelosi – dus dat gaat wel even duren.” Enkele uren later liet de president zich met Rutte doorverbinden. Hij had moeite om een gevoel van walging te onderdrukken. Dat had minder met Rutte te maken dan met alles wat hem die dag was overkomen. Alleen al die persconferentie, my God, zoals hij daar door het stof had moeten gaan, het was de ultieme vernedering van zijn carrière geweest. Ik moet mijn werk voortaan beter doen, had hij op aandringen van zijn medewerkers gezegd. Nederigheid zou het beter doen dan trots.

Maar zouden de Republikeinen opeens grootmoedig worden als hij op z’n knieën voor ze ging liggen? Hij twijfelde er hevig aan. Hij zag het blije hoofd van JohnBoehner voor zich, de nieuwe Republikeinse voorzitter van het Huis van Afgevaardigden. Die wilde meteen maar even de hervorming van de gezondheidszorg terugdraaien.

Creep. Hij huiverde. Met zulke windbuilen moest hij voortaan wheelen en dealen. Toen hoorde hij die vrolijke, onbezorgde stem van de nieuwe Nederlandse premier over de Atlantische oceaan waaien.

„Hello Mister President, how you’re doing?”

„Fine, thank you”, kuchte hij, en vervolgens keek hij op het papiertje voor zich waarop een ambtenaar het woord ‘congratulations’ had geschreven. „Congratulations”, zei hij zo monter mogelijk, maar hij voelde hoe de vermoeidheid en teleurstelling zijn stem smoorden. Waarmee moest hij die vent ook weer feliciteren? Waarom zette zo’n ambtenaar er dat nou niet even bij? Tot zijn opluchting begon de stem aan de andere kant van de plas weer vrolijk te snateren. De eerste minuten hoefde hij niets terug te zeggen. Was die kerel altijd zo spraakzaam? Ach, hij was in Brussels geweest, leuk voor hem. Hij had daar ‘de andere Europese leiders’ leren kennen. Verdomd, nou wist-ie het weer, die Rutte was een beginner. „Heb je nog wat kunnen bereiken bijAngie en Nicky?” vroeg de president. „No dent in a parcel of butter”, hoorde hij de Nederlandse premier in zijn beste Engels lachen. „But wait and see!” Zouden die Dutch altijd zo vrolijk zijn, vroeg de president zich peinzend af. Zouden ze er meer reden voor hebben dan zij in de States? Nou ja, waarom zou hij het niet even vragen: hebben jullie soms ook zo’n Tea Party? Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Heel even maar. Toen hoorde hij de Nederlandse premier schaterend zeggen: „We have a Teapot Party! But they gedoog us!”

„And what about Afghanistan?”

„No problem. We’re coming!”

Idioten, dacht de president terwijl hij ophing, maar nuttige idioten.