Ook democratie is mensenwerk

Tabus sind jetzt tabu stond er boven een artikel in de Frankfurter Allgemeine van 12 oktober over hoe de „politieke cultuur van Nederland in twintig jaar totaal veranderde”. Het is van een zekere Andreas Ross (meestal schrijft Dirk Schümer over ons land, maar dan wel uit Venetië) en is een goed overzicht (alleen heeft hij het een paar keer over ‘Leefbar Nederland’ – u weet wel: die club waarvan Pim Fortuyn korte tijd de leider was).

Maar zijn taboes tegenwoordig echt taboe? Er is één onderwerp dat nog grotendeels taboe is: de democratie – waarschijnlijk omdat we niet weten wat een goed alternatief zou zijn. Alle -ismes hebben gefaald. Zo blijft ons weinig over dan door te modderen met de democratie, al is ook zij feilbaar. Maar moeten wij haar daarom voor sacrosanct verklaren?

We mogen toch wel haar premisses aan een kritiek onderwerpen zonder dadelijk voor fascist uitgemaakt te worden? Aan een systematische kritiek ontbreekt het tot dusver, het blijft bij incidentele opmerkingen. Zo schreef de historicus Henri Beunders in Trouw van 16 oktober „dat het onzin is te menen dat meer informatie” – en dat is toch een van die premisses? – „altijd tot betere besluiten leidt. Meer informatie kan ook verwarrend werken.”

En volgens een necrologie van de onlangs overleden Franse politieke denker Claude Lefort in deze krant (6 oktober) meende deze dat het totalitarisme zijn wortels heeft in de democratie, o.a. „omdat haar inherente verdeeldheid de lokroep van een sterke macht aantrekkelijk kan maken”. Trouwens, verwardheid als gevolg van overdaad aan informatie en meningen – zelfs in één krant – kan ook tot de reactie leiden: ‘ze’ – dus niet wijzelf – zoeken het maar uit.

Een andere premisse is de wil tot vrijheid, die inherent zou zijn aan de mens. Die wil bestaat inderdaad. Maar altijd en overal? De voedseldeskundige en Nobelprijswinnaar Boyd-Orr zei eens: „Als de mensen de keus hebben tussen vrijheid en een boterham, kiezen zij de boterham.” En de filosoof Isaiah Berlin achtte het mogelijk „dat het ideaal van in vrijheid te leven zoals men wil – en het waardenpluralisme dat ermee verbonden is – slechts de late vrucht is van een ondergaande kapitalistische beschaving” – een thans zeer actuele opmerking.

Ook de politicoloog Carl J. Friedrich was sceptisch: „Mensen verlangen een minimum aan vrijheid, eerder dan een maximum. Alle mensen houden ervan enkele vrije keuzes te doen, maar niet vele, laat staan alle. Velen lijken er de voorkeur aan te geven dat de meeste beslissingen voor hen genomen worden, en bijna allen geven er de voorkeur aan dat enkele beslissingen voor hen genomen worden”.

Recent onderzoek aan de University of Michigan heeft uitgemaakt dat, als slecht geïnformeerde mensen geconfronteerd worden met feiten, ze zelden van mening veranderen. Ja, ze klampen zich vaak nog sterker aan hun dwalingen vast. Ongelijk te erkennen schijnt voor velen bedreigend te zijn. immers, we baseren onze meningen vaak op een geloof (niet noodzakelijk religieus), en als we dat opgeven dreigt alles ineen te storten.

Mochten we van mening zijn dat een betere opvoeding de uitkomst biedt, dan helpt een ander onderzoek ons uit die droom, Het kan zijn dat goed opgeleiden het voor 90 procent bij het rechte eind hebben, maar dat hun zelfvertrouwen het hun vrijwel onmogelijk maakt de 10 procent te corrigeren waarin ze ongelijk hebben. (Ik ontleen deze Amerikaanse gegevens aan een artikel in de Boston Globe van 11 juli jl.)

Plaatsvervangend is de verwarring waarin de sociaal-democratie, een van de pijlers der democratie, zich alom bevindt. Waarom? Omdat zij haar doel bereikt heeft. Dat doel was de verheffing van de arbeiders, en daarin is zij zo goed geslaagd dat er bijna geen arbeiders meer zijn. Hun nageslacht keert zich grotendeels af van, zo niet tegen, de sociaal-democratie – wat de democratie niet noodzakelijkerwijs ten goede komt.

Maar zijn democratieën dan tenminste vreedzamer dan andere staatsvormen? Vredelievender misschien wel, maar sinds oorlogen niet langer door vrij kleine huurlegers, maar door massale volkslegers uitgevochten worden – te beginnen met de levée en masse van de aanvankelijk democratische Franse Revolutie van 1789 – zijn ze ook totaler geworden, nog vóór de opkomst van Napoleon, die zelf een product van die revolutie was.

Terwijl de revolutionaire oorlogen woedden, schreef Immanuel Kant zijn Zum ewigen Frieden (1795), en in 1790 had Frankrijk plechtig bezworen dat het nooit een veroveringsoorlog zou voeren. De vredesgedachte zat dus wel in de lucht, maar kort daarna veroverden de Franse legers grote delen van Europa, waaronder Nederland. In zijn The First Total War beschrijft David A. Bell deze paradoxale erfenis van de Verlichting.

Kernachtig vat de politieke denker Bertrand de Jouvenel deze paradox (= schijnbare tegenstelling) samen: „Sinds oorlogen geacht worden monsterlijk te zijn, worden zij op monsterlijke wijze gevoerd.”

Kortom, democratie is geen paradijs op aarde. Zij is mensenwerk en als zodanig onvolmaakt. Letterlijk betekent zij: regering door het volk, maar wat als het volk zich tegen de democratie keert, zoals in de vorige eeuw in sommige landen is gebeurd en weer gebeuren kan? Het wachten is op een tweede Tocqueville. Wat de eerste in 1835/40 over de democratie schreef is nog altijd geldig, maar, in het licht van wat er sindsdien gebeurd is – te beginnen met Napoleon III (1852-1870), die wel een protofascist genoemd is – aan hernieuwing toe.

Wilt u reageren? Mail de auteur naar dezerdagen@nrc.nl