Mode is kwetsbaar in Nederland

Modeontwerpster Conny Groenewegen is met haar ingenieuze breisels genomineerd voor de Mercedes Benz Fashion Awards.

Jurk van Conny Groenewegen, één van de genomineerden voor de Dutch Fashion Awards. Foto Duy Quoc Vo

Conny Groenewegen is gefascineerd door breigoed. Ingenieus breigoed. Perfect gebreide ronde gaten in een jurk van tricotstof die alle kanten oprekt. Ook bijzonder; maandenlang onderzoekt ze hoe de textuur van een ijsbolletje zich laat vertalen naar een breisel. Zulke gedrag leverde haar het stigma ‘materialenmeisje’ op. Ze was daar niet blij mee; alsof ze alleen maar bezig is met textiel. Maar ze geeft toe dat er een kern van waarheid in zit. „Een kledingstuk ‘bouwen’ vanuit het materiaal past bij me. Als ik iets maak van een kant en klare lap stof kan ik minder mijn handschrift kwijt.”

Conny Groenewegen (1973) werd afgelopen augustus gevraagd om mee te doen aan de Dutch Fashion Awards. „Op een gegeven moment moet je het waarmaken, dat moment is nu gekomen.” Dat ze vorig jaar nog weigerde om mee te doen, heeft volgens haar te maken met de complexiteit van haar vak. „Als je begint heb je geen idee wat het ontwerpvak behelst; je hebt productie, marketing en presentatie. Op al die niveaus moet je goed presteren. Elk seizoen leer je nieuwe dingen. Ik heb me verdiept en geïnvesteerd. Ik heb het nu op orde.”

Groenewegen neemt het morgenavond op tegen vier totaal verschillende ontwerpers. Het is maar goed dat de jury vooral zal letten op de internationale levensvatbaarheid, anders zou het neerkomen op het vergelijken van appels met peren. De elegante, minimalistische jurken van Marscha Hüskes verschillen mijlenver van de overrompelende leren sculpturen van Iris van Herpen.

Los van die verschillende stijlen voelt Groenewegen zich verwant met haar mededingers. Iris van Herpen is net als zij gespecialiseerd in handwerk. Marscha Hüskes gaat ook voor draagbaarheid en betaalbaarheid, in Bas Kosters herkent ze de creativiteit. En Groenewegen waardeert de technische perfectie van Claes Iversen.

Alle kandidaten voor de jaarlijkse DFA-modeprijs moeten al minstens vijf collecties hebben gepresenteerd. Voor een ambitieuze ontwerper is dat niet zo’n probleem. De – financiële – proef komt pas als na het eerste succes bestellingen binnenkomen die vervolgens gemaakt moeten worden. Groenewegen maakt haar collectie deels zelf, maar het merendeel besteedt ze uit aan het Textiel Museum in Tilburg dat beschikt over de juiste breimachines, die Groenewegen dan samen met een programmeur aanstuurt.

Aan de hoofdprijs van de Dutch Fashion Awards is 25.000 euro verbonden. Daarmee kan ze doen waar ze al een tijd naar uitkijkt: de stap zetten naar een fabriek in het buitenland, waar grootschaliger productie mogelijk is, en zich presenteren op een vakbeurs in Parijs. Op haar lijstje staat ook een reis naar Japan, waar haar kleding al enkele seizoenen goed verkoopt.

Dat Groenewegens experimentele en arbeidsintensieve breisels in Japan aanslaan, is deels te danken aan enkele subsidies die ze kreeg van het Fonds BKVB. „Voor beginnende ontwerpers zijn subsidies belangrijk om je te kunnen specialiseren”, zegt ze. „Ik heb met deze breitechniek een handschrift kunnen ontwikkelen – dat lukt niet in vier jaar op de academie. Ook ervaring opbouwen in Nederland gaat niet, want er is hier vrijwel geen mode-industrie waar je kan ‘oefenen’. En in Japan blijkt mijn mix van luchtigheid, lichtgewicht en design te voorzien in een vraag.”

Als er dan toch gesneden moet worden in subsidiebudgetten, hoopt Groenewegen op een alternatief, bijvoorbeeld in de vorm van programma’s die ontwerpers aan de markt koppelen. „Mode is kwetsbaar in Nederland, en moet nog gevoed worden.”

    • Georgette Koning