Een onbeperkte vrijheid verplicht tot niets

Jonathan Franzen beschrijft in zijn roman Vrijheid het ongemak van grenzeloze vrijheid.

Deze gedachte is het uitgangspunt van een serie.

Illustratie Lobke van Aar

Gewoon omdat het kan. Die opmerking komt oorspronkelijk uit Amerika, net als veel andere uitdrukkingen die het individualisme illustreren dat de afgelopen decennia groeide in de westerse wereld. Just because you can.

De slagzin rukt op als een verantwoording van handelen die eigenlijk zegt: ik doe niet aan verantwoording. Als een handeling niet is verboden, wat is er dan op tegen? Ofwel: ik doe zo maf als ik wil, slimme jongen die me daar vanaf weet te houden.

De uitdrukking verwoordt scherp dat in een wereld zonder moreel kompas, zoals de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen die schetst in zijn boek Vrijheid, het aanbod aan mogelijkheden het handelen stuurt. Hoe gedrag, andersom, effect heeft op de omgeving, daar moet een mens zich niet te veel van aantrekken. Erover tobben al helemaal niet.

Gewoon jezelf zijn toch?

Het wereldwijde succes van Franzens boek zit ’m in een groeiend ongemak met deze individualistische levenshouding. Een levenshouding die grote invloed uitoefent op de omgang tussen mensen; op ouder-kindrelaties, op gezinnen, op de aard van de liefde. Wie vervolgens de gave bezit daar kunst van te bakken, trapt de tijdgeest op de staart.

Jonathan Franzen problematiseert het ‘vrije’ levensgevoel-zonder-schaamte dat is te vinden bij sociale media als Facebook en Hyves. En dat glorieerde in de MTV-serie Jackass, waarin volwassen mannen er hun hand niet voor omdraaiden paardenpoep te eten, zichzelf te lanceren met een raket of andersoortig, vaak sadomasochistisch kattekwaad uit te halen. Uit nostalgie, zo opperde een serieuze criticus, uit hang naar „een kindertijd zonder verantwoordelijkheden”.

Voor wie meer voorbeelden wil van dat werk, zie de foto’s en filmpjes op de Hyvespagina die zelfs de titel draagt Gewoon omdat het kan. Of lees de populaire website GeenStijl. Daar wordt de slagzin gebruikt als stopwoord. En in de betekenis die de Amerikaanse band Oddwalk Ministries eraan gaf in het nummer ‘Just because you can’. Waarom neem ik mijn goudvis mee naar de bioscoop? Waarom stop ik een stuk ham in de broodrooster? Waarom blaas ik ballonnen op met mijn neus? Nou gewoon, zingen deze rare-loopjes-geestelijken, omdat het kan.

Franzen geeft de literaire vertolking van het verzet tegen de individualisering en de bijkomende amorele blik, gericht op vergroting van de persoonlijke vrijheid. Het verzet daartegen is er natuurlijk altijd geweest. Filosofen die het vertolkten kregen het etiket gemeenschapsdenkers. Zoals de Canadees Charles Taylor, en de Brit Alasdair MacIntyre. Of Amerikanen als Michael Walzer, Michael Sandel en, niet te vergeten, Amitai Etzioni. De laatste kreeg in Nederland enige naamsbekendheid omdat de vorige premier hem zijn intellectuele leermeester noemde.

De mens, zo zeggen deze gemeenschapsdenkers, is van nature sociaal. Hij is niets zonder de gemeenschap en dus slaan alle theorieën de plank mis die het individu als uitgangspunt nemen. Want het individualisme is een misverstand. En tegelijk een onwenselijke self-fulfilling prophecy. Want wie maar blijft horen dat hij zich niets moet aantrekken van de mening van anderen en slechts verantwoording aan zichzelf schuldig is (gewoon naar je innerlijke stem luisteren, à la Oprah Winfrey), die staat op een dag inderdaad „in zijn eentje te bowlen”, zoals politicoloog Robert Putnam voorzag in zijn boek Bowling Alone.

Hij deed dit op basis van een feitelijke constatering: steeds meer Amerikanen brengen hun vrije tijd op de bowlingbaan door, terwijl steeds minder van hen lid zijn van een bowlingteam. Eenzaamheid en ‘atomisering’ dreigen, en individualisering blijkt niets anders dan een verzameling mensen die als een klein vrijstaatje, dat zij privacy noemen, langs elkaar heen leven. Als twee vrijstaatjes – hard als biljartballen – op elkaar stuiten, komt de rechter eraan te pas. Die doet een uitspraak, en ieder gaat vervolgens weer zijn eenzame gang.

De vrijheid van de een eindigt waar die van een ander begint, dat is de gedachte. Een gemeenschapsdenker als Alasdair MacIntyre vindt dat zo’n uitholling van het begrip vrijheid, dat hij het woord er niet eens voor wil gebruiken. Want het gaat er niet om, zegt hij met zijn zielsverwanten, wat we elkaar níét mogen aandoen, het gaat erom wat we elkaar wél aandoen. En het gesprek daarover dreigt ondergesneeuwd te raken door die ene deugd van het individualisme: persoonlijke vrijheid. Kunnen doen wat je wilt.

Franzen, in een interview in deze krant: „Iedereen wil vijftien zijn. En juist vijftienjarigen houden uit alle macht vast aan zogenaamde persoonlijke vrijheden.” Ze leven in een wereld zonder moraal (amoreel), alsof het kwaad (immoraliteit) is uit te bannen.

Bij Franzen heeft rechts schuld aan de individualisering. Door „de leugens van politiek rechts”, zo vertelde hij deze krant, zou vrijheid voor veel Amerikanen betekenen: het „doordrukken van je eigen wil als het hoogste goed”. Bij de gemeenschapsdenkers krijgt zowel rechts als links ervan langs. Links heeft het besef van eigen verantwoordelijkheid bij mensen weggehaald – want weggegeven aan vadertje staat. Rechts heeft calculerend gedrag en zelfs gierigheid gelegitimeerd, in eufemismen als ‘zelf begrepen eigenbelang’. De aanvallen op het sociaal kapitaal kwamen uit alle hoeken, zeggen de gemeenschapsdenkers.

Ook in Nederland is de overdreven nadruk op ‘persoonlijke vrijheden’ van links én van rechts. Terug naar website GeenStijl. Daarop wordt dagelijks stevig afgegeven op ‘links’. Tegelijk heeft Freek de Jonge, die met zijn cabaretgroep Neerlands Hoop stond voor links engagement, onlangs nog verteld aan Rutger Castricum dat GeenStijl een logische voortzetting van zijn werk uit de jaren zeventig is. Castricum was één van de boegbeelden van de site en is nu politiek commentator van tv-programma PowNews. Argument van Freek de Jonge: het recalcitrante karakter, het ongeduld met ingesleten instituties, enzovoorts. Castricum glom van trots, vertelde hij in een interview.

Castricum zit ‘op de top van zijn tijd’, zoals Amerikanen zeggen. Hij is hot. Maar gek genoeg is Franzen dat ook. En de cultuurkritiek in Vrijheid is zo evident dat de populariteit van het boek de vraag relevant maakt of literatuur dan toch de transformatieve kracht bezit die filosoof Richard Rorty haar toedichtte. Rorty meende dat het kon: dat de wereld is te veranderen met de literaire methode ‘laten zien, niet uitleggen’. Precies wat Franzen doet. In een vertelling over het keurige, progressief-liberale echtpaar Walter en Patty Berglund en hun kinderen Joey en Jessica, laat hij de inherente zwakte van het individualisme zien: de keuzestress, de onzekerheid, de gevoelens van zinloosheid.

En hij is niet de enige. Neem de zangeres Dolly Parton. Zij heeft in haar vertolking van het lied ‘Jolene’ zo veel wanhoop gelegd dat de luisteraar begrijpt hoe het morele vacuüm van een individualistische samenleving uiteindelijk machteloos maakt. Hoe gruwelijk het is als alleen geboden in de weg staan die naar eigenbelang nastrevende individualisten willen opruimen.

Parton richt zich in ‘Jolene’ tot de jongere, mooiere versie van haarzelf, een vrouw met een „ivoren huid”, een „glimlach als een lentebries” en „smaragdgroene ogen”. Die heeft het voorzien op haar man. En Dolly vraagt haar, nee smeekt haar: „Alsjeblieft, don’t take him just because you can.”

Door de radeloosheid in haar stem begrijpt de luisteraar dat haar smeekbede geen succes zal hebben. Ze heeft ook geen argumenten, behalve een poging medelijden te creëren bij haar rivale. Maar waarom zou die medelijden krijgen als de moraal haar tot niets verplicht?

En daarmee maakt Parton, even mooi als Franzen, duidelijk dat amoreel gedrag zeldzaam is – het opblazen van ballonnen met je neus daargelaten. Immoreel gedrag is overal. Ook de Oddwalk Ministries laten horen dat ze zich daarvan bewust zijn. In het refrein van hun lied laten ze „because you can” volgen door „doesn’t mean you should”. Dat je iets kunt doen, betekent niet dat je het moet doen.

„Als een of andere imbeciel aanstalten maakte hem op een tweebaansweg te passeren, dan gaf Einar net genoeg gas om hem voor te blijven, en minderde telkens net op tijd vaart om te voorkomen dat de imbeciel weer in kon voegen, een vermaak dat hem des te meer plezier verschafte als er op de andere strook een truck in zicht kwam en de dreiging van een frontale botsing ontstond. Als een of andere idioot hem sneed of weigerde voorrang te geven, dan zette Einar de achtervolging op hem in en probeerde hem dan de berm in te rijden, zodat hij uit kon stappen en zijn vijand verrot kon schelden. (Het persoonlijkheidstype dat ontvankelijk is voor de droom van de onbeperkte vrijheid, vertoont bij het niet uitkomen van die droom doorgaans een even grote ontvankelijkheid voor woede en misantropie.)”

Fragment uit Vrijheid van Jonathan Franzen. Vertaling Peter Abelsen, Uitgeverij Prometheus, 592 p., € 27.50

Jonathan Franzen werd in 1959 geboren in Chicago. In 2001 won hij de National Book Award voor zijn bestseller De Correcties. Franzen woont in New York.