'Wie slim is onderneemt én leert door'

Nederland heeft te weinig topondernemers, te weinig snelle groeiers en te weinig innoverende bedrijven. „Terwijl we die voor de toekomst van ons land wel hard nodig hebben”, zegt SER-Kroonlid Mirjam van Praag.

Het is een vrijdagmiddag. Op haar kantoor op de tweede verdieping van de Faculteit Economie en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam gaat haar vaste lijn. Hé, ongewoon, denkt Mirjam van Praag (1967). Wie belt me niet op m’n mobiel?

„Met Donner.”

Iemand neemt me hier in de maling, is het eerste dat haar door het hoofd schiet.

Maar al na een paar seconden maken de stem en de dictie duidelijk dat dit inderdaad Piet Hein Donner is, op dat moment minister van Sociale Zaken. Mensen noemen uw naam, zegt hij. Is zij bereid om Kroonlid van de SER te worden?

De SER, de Sociaal Economische Raad, is het belangrijkste sociaal-economische adviesforum van de regering. Naast elf vertegenwoordigers van werkgevers en elf van de vakbeweging zitten elf onafhankelijke experts in de Raad. Zij worden benoemd op basis van deskundigheid.

Van Praag: „Ik had het afgelopen jaar als extern lid in een tijdelijke commissie van de SER gezeten. Die heeft half oktober advies uitgebracht over de positie van zzp’ers, zelfstandigen zonder personeel, in Nederland. Ik vond het werk in deze commissie zeer interessant en inspirerend. Toen had ik wel eens gedacht Kroonlid van de SER, ja, dat lijkt me geweldig boeiend om zo mee te praten en denken over sociaal-economisch beleid. Maar dat is misschien iets voor over een jaar of tien.”

Een week na het telefoontje van Donner kwam haar voordracht in het kabinet en werd de benoeming bekendgemaakt.

Zij ontvangt op de Universiteit, in een met licht overladen, bijna vrolijke hoekkamer. Aan de muur hangen foto’s met stellingen in houten lijstjes. Het zijn parodieën op de stellingen bij haar proefschrift over succesvol ondernemerschap (1996) die haar paranimfen hebben verzonnen.

Een stelling: Het probleem van economen is dat zij zelf nooit ondernemer zijn.

Dat geldt inderdaad wel voor mij, zegt Van Praag, die inmiddels bijna twintig jaar onderzoek doet naar drijfveren en prestaties van ondernemers. „Ik ben geen ondernemer, maar wel ondernemend.”

Zij houdt zich bezig met twee onderwerpen die cruciaal zijn voor de economische toekomst van Nederland: ondernemerschap en innovatie.

Wat vindt zij van de voornemens van het kabinet-Rutte? „Het is jammer dat grotere hervormingen, zoals op de woningmarkt en de arbeidsmarkt zijn afgevallen”, zegt Van Praag. Hierdoor worden beperking van hypotheekrenteaftrek en versoepeling van ontslagbescherming op de lange baan geschoven. Ook vind ze het niet goed dat de netto bestedingen aan onderwijs afnemen en dat de gelden van het Fonds Economische Structuurversterking (FES; deel van de aardgasopbrengsten) een andere bestemming krijgen.

Maar Van Praag ziet ook pluspunten: „Op het gebied van ondernemerschap en innovatie zouden de plannen positief kunnen uitpakken met het nieuwe Ministerie van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie. Onderzoek, onderwijs en ondernemerschap kunnen meer samen worden ingezet voor innovatie en duurzame groei. Daar is mijn hoop op gevestigd.”

Is succesvol ondernemerschap een gave of gewoon hard werken?

„Ik verander de vraag. Kun je ondernemen leren? Wat beïnvloedt succes? Ambitie, doorzettingsvermogen, de bereidheid om risico's te nemen, dat zijn karakteristieken die je niet kunt leren. Maar technisch inzicht en analytische vaardigheden wel. Daar levert een jaar doorleren winst op. Wie doorleert doet het beter. In Nederland is bijvoorbeeld het percentage hoogopgeleiden onder ondernemers gelijk aan dat van de hele bevolking. Maar onder succesvolle ondernemers is het aantal academici 62 procent en het aantal HBO’ers nog eens 28 procent. Dat is volstrekt het tegenovergestelde van wat mensen denken. Dat hebben we onderzocht. Mensen denken vaak dat opleiding niet erg belangrijk is voor ondernemers. Mensen staat het type Hennie van der Most voor ogen, de intuïtieve ondernemer met niet veel meer dan lagere school. Zulke ondernemers zijn er, maar zij zijn uitzonderingen.”

Heeft u het nu over echte ondernemers of over bestuurders?

„Over mensen die zelf een bedrijf beginnen. Niet over bestuurders, die geven leiding. Allebei is moeilijk, maar het is totaal verschillend. In Nederland lijkt de status van bestuurders onterecht veel hoger dan van ondernemers. Misschien wel daardoor kijken studenten die nadenken over hun loopbaan vooral naar de lijstjes met de populairste werkgevers. Maar als je slim bent doe je én een opleiding én word je ondernemer. Het mooie is dat een jaar extra opleiding voor een ondernemer een hoger rendement heeft dan voor een werknemer...”

Hoe dat zo...?

„Ondernemers hebben meer vrijheid om nieuwe kennis direct in de praktijk te brengen. Bovendien vertaalt een hogere opleiding zich voor ondernemers in een grotere kans op financiering van hun onderneming en dus ook weer meer kans op een hoger inkomen. ”

Onderzoek, onder meer van het Innovatieplatform, zegt dat Nederland te weinig snel groeiende ondernemingen heeft. Wat zegt u?

„De ondernemende houding in Nederland is relatief gering. Te weinig topondernemers, te weinig snelle groeiers, te weinig innoverende bedrijven, terwijl we die wel hard nodig hebben. Voor mensen met potentie en ambitie is de status van de grote werkgevers aantrekkelijker dan zelf ondernemen. Dat komt misschien ook door een gebrek aan rolmodellen.”

En de aanwas van zzp’ers dan, inmiddels 650.000 mensen...?

„Daar zitten veelbelovende en ambitieuze ondernemers bij. Maar er zijn ook ongeveer 400.000 zzp’ers die niet groeien en eigenlijk marginaal operen. Ze vormen een bijdrage aan de flexibele schil van de arbeidsmarkt, die belangrijk is geweest bij het opvangen van de klappen in de crisis. Zij zijn zelfstandige ondernemers, maar zij vormen niet de categorie snelle groeiers, die willen doorstoten naar internationale schaal, duurzaam innoveren, extra mensen aannemen, etcetera. Voor een groep van deze marginale ondernemers is ondernemerschap sociaal belangrijk. Het biedt perspectief vanuit werkloosheid voor etnische minderheden of voor herintredende vrouwen en zij zijn vaak geholpen met reïntegratiebudgetten en microkredieten. Allemaal de moeite waard, maar voor de economische motor zijn vernieuwers en groeiers van levensbelang. Dat stimuleert de overheid met subsidies en leerprogramma’s. Maar het is teveel gericht op de bestaande groep mensen, waar het om moet gaan is dat de groep ambitieuze arbeidsmarktparticipanten die voor ondernemerschap kiest groter wordt. Daar proberen wij bijvoorbeeld iets aan te doen met onderwijsprogramma’s waarin studenten ondernemingen opzetten, zodat zij aan den lijve kunnen ervaren of zo’n onderneming toch niet iets voor hen is.”

Is het tekort aan snelle groeiers typisch Nederland?

„Statistieken tonen aan dat Nederland weinig snelgroeiende bedrijven kent. Wat zijn de verklaringen? Er is bijvoorbeeld een opmerkelijk verschil, blijkt uit onderzoek, tussen Nederlandse en Britse ondernemers. Hier willen ondernemers de baas blijven in hun bedrijf. Zij hebben liever 100 procent van een kleine taartpunt dan 30 procent van een veel grotere taart. Dat lijkt in Engeland anders te zijn. Financiële en fiscale prikkels spelen daarin ook een rol. Ondernemingen die hoofdzakelijk met bankkrediet worden gefinancierd, zoals in Nederland, krijgen de prikkel van de bank mee om in elk geval niet failliet te gaan. Dan neem je minder risico’s. Maar wie ambitieuze aandeelhouders heeft, zoals private equity financiers, krijgt juist de prikkel om wél te groeien. De vraag en aanbod van groeikapitaal vallen hier niet goed samen, dat is een vorm van marktfalen, zoals economen dat noemen, dus daar zou een taak voor de overheid kunnen liggen.”