Wie gelukkig wil zijn, moet in geluk geloven

De mate van geluk van een natie is moeilijker te meten dan onderzoekers denken.

Het veronderstelt een blik op het leven die we tijdens ons leven niet kunnen hebben.

Een tijdje geleden zag ik op televisie het programma Holland’s Got Talent, een talentenjacht van RTL. Ik viel erin bij de introductie van een jongen van een jaar of vijftien, die voor zijn alleenstaande moeder een rap had geschreven. Op de vraag waarom hij meedeed, was zijn antwoord: „Niet om te winnen of om rijk te worden ofzo, ik wil alleen maar gelukkig zijn, weet je.” Zijn alleenstaande moeder stond naast hem met de tranen in haar ogen.

Ik geloofde hem niet. Volgens mij wilde hij keihard winnen en dan vet rijk worden. En dat leek me legitiem. Want uit de korte interviews met hem en zijn moeder leken ze het geluk niet aan hun kant te hebben. Zij had behalve geen partner, ook geen werk en ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat hij werd gepest. Deze talentenjacht bood een laatste vluchtweg uit de gevangenis van zijn eigen leven en dat van zijn moeder. Dus in zekere zin zal hij het wel hebben gemeend: winnen en rijk worden konden hem het nodige geluk brengen.

Hoe dan ook, het is een veelgehoorde opmerking: als je maar gelukkig bent. Zelfs een puberende rapper komt ermee weg. Alles mag tegenzitten, als je maar gelukkig bent. Het klinkt mooi onthecht, maar wat kan dat voor een innerlijke toestand zijn, die zo onafhankelijk van de wereld lijkt te bestaan? Een toestand zonder eigenschappen. Voor geluk lijkt hetzelfde op te gaan als wat Augustinus over tijd beweerde: zolang niemand het me vraagt weet ik precies wat het is, maar zodra ik het iemand moet uitleggen, kan ik het niet zeggen. We praten met het grootste gemak over geluk en ongeluk en we denken ook te weten welke behoefte nog bevredigd moet worden om daarna echt gelukkig te kunnen zijn, maar moeten we omschrijven wat geluk betekent, dan zitten we met onze handen in het haar.

In de filosofie wordt ruwweg het onderscheid gemaakt tussen aan de ene kant het geluk dat uit ‘gelukken’ voortkomt – het gelukzalige gevoel dat hoort bij het behalen van een doel – en aan de andere kant het hedonistisch geluk dat voornamelijk bestaat uit de beleving van genot (van het Griekse hèdonè).

De eerste vorm van geluk, door Aristoteles eudaimonia genoemd, lijkt wat wereldser, omdat het een voor iedereen inzichtelijk doel najaagt, dat alleen kan worden behaald door een deugdelijke levenswandel; het juiste midden tussen de vele uitersten van het leven. Maar de tweede vorm van geluk, de maximalisatie van het persoonlijk genot, vraagt bij nader inzien niet veel minder van het deugdelijk handelen. Want de ongebreidelde zinnenprikkeling die tegenwoordig onder hedonisme wordt verstaan, schiet volgens de filosofisch hedonisten in eigen voet. Terughoudendheid levert zoveel minder frustraties op dat deze houding netto meer genot oplevert. Geluk, in de filosofie, is vooral een zaak van het juiste midden.

Ruut Veenhoven, de Rotterdamse hoogleraar sociologie, bij het grote publiek ook wel bekend als de ‘geluksprofessor’, vindt het „mooie gedachten” die filosofen al sinds het begin van onze beschaving over geluk hebben geformuleerd, maar ze konden volgens hem „vanuit hun leunstoel niet vaststellen of die theorieën ook klopten”. Veenhoven toont zich daarom een stuk slagvaardiger. Al veertig jaar doet hij experimenteel wetenschappelijk onderzoek naar geluk. En over de vraag wat geluk precies inhoudt filosofeert hij niet te lang, al jaren toetst hij één definitie van geluk: „De voldoening met het leven als geheel.”

Tijdens een debat op de jaarlijkse Nacht van de Filosofie in het Amsterdamse Felix Meritis vroeg ik hem hoe je wetenschappelijk het geluk van mensen meet. „Nu, ik vraag het ze gewoon.” Gelach uit de zaal, 1-0 voor de geluksprofessor. Maar al gauw werd duidelijk dat het minder eenvoudig was. Hij vermijdt, zei hij, als het even kan in de vraagstelling het woord geluk, dat roept te veel uiteenlopende associaties op. Liever meet hij alleen de mate van ‘tevredenheid’ met het leven als geheel, en hij vraagt hoe prettig zijn respondenten zich meestal voelen op een schaal van 1 tot 4.

Al houdt Veenhoven vol dat zijn definitie voor geluk „een helder concept” is, de term zelf is blijkbaar te diffuus om naar te vragen. Deze duikt daarom alleen nog op in de onderzoeksresultaten, zoals: „Nederland behoort tot de gelukkigste landen ter wereld. Zwitserland is nog gelukkiger; daar geeft de bevolking zichzelf een 8 op de geluksmeetlat, in Nederland is dat een 7,5.”

Voetstoots worden deze cijfers in het publieke debat als harde feiten aangenomen, zonder dat iemand zich lijkt af te vragen wat er onder geluk wordt verstaan en hoe de meting tot stand is gekomen. Zelfs de discrepantie die ons hoge gelukscijfer vertoont met de meer sombere cijfers over bijvoorbeeld gevoelens van onveiligheid en van onfatsoen doet ons niet twijfelen aan het gelukscijfer zelf. Het is immers wetenschappelijke onderzocht.

Nu leek er deze zomer voor het eerst wat publieke twijfel te ontstaan bij de methodes van de wetenschappelijke gelukzoekers. Veenhoven vertelt al jaren in interviews dat geluksonderzoek had aangetoond dat volwassenen zonder kinderen gelukkiger zijn dan ouders, maar toen NRC Handelsblad dit gegeven afgelopen zomer op de voorpagina als nieuws bracht („Kinderen maken niet gelukkiger”, 28 augustus) leverde dat ineens vele geschokte reacties op over de gebruikte onderzoeksmethodes: „Mensen meerdere malen per dag bellen of lijsten sturen met vragen naar hun geluksgevoel passen mijns inziens beter bij follow-up na aankoop van een flatscreen televisie of anti-rimpelcrème.” Ik vrees dat de lezers die zo reageerden hun wereldbeeld aardig moeten aanpassen, gedragswetenschap heeft nu eenmaal veel weg van marktonderzoek. Het grootste deel van ons maatschappelijk zelfbeeld is opgebouwd uit kennis die we met vragenlijsten vergaren. Hierop baseren we hoe tolerant, hoe fatsoenlijk, hoe intelligent, hoe muzikaal, hoe culinair, hoe seksueel actief en ook hoe gelukkig we in het algemeen zijn.

Er zijn vast en zeker mensen die meer geluk halen uit een anti-rimpelcrème dan uit hun kinderen, maar de vraag blijft hoe we dit wetenschappelijk kunnen meten? Ondanks de vele tegenstrijdigheden die de wetenschappers tegenkomen bij hun geluksonderzoek, en ondanks het vermoeden van onder meer de Californische gelukspyschologe Sonja Lyubomirsky „dat er iets op het niveau van meten aan de hand is dat we nog niet hebben ontdekt”, wordt er aan de principiële meetbaarheid van geluk niet getwijfeld. In plaats daarvan hanteert de wetenschap correctiemodellen om de statistieken te verfijnen en introduceert het psychologische disposities die de tegenstrijdigheden moet verklaren, zoals de parenthood paradox: dat we individueel zeggen blij te zijn met onze kinderen komt voort uit het vermogen van een menselijke samenleving om grootschalige illusies in stand te houden.

Maar wat nu als menselijk geluk mede mogelijk wordt gemaakt door deze en andere illusies? Of beter, door constructies? Want illusie impliceert dat het niet echt is. Maar wat is er niet echt aan mijn geluk, als ik alleen geloof gelukkig te zijn? Of omgekeerd: wie kan er zonder geloof in eigen geluk gelukkig zijn? Wat voor de zin van het leven geldt, geldt ook voor een gelukkig leven: zonder menselijke constructie bestaat het niet.

Alleen al voor de beantwoording van Veenhovens, in zijn ogen heldere, hamvraag („Heeft u voldoening met het leven als geheel?”) wordt een beroep gedaan op constructie. Het leven wordt immers nooit zomaar ervaren als een geheel. Daar is een hoop constructie voor nodig.

Het kenmerkende aan een leven is namelijk dat het een open toekomst heeft; terwijl we leven gaan talloze losse eindjes ons vooruit in het ongewisse – zelfs een hoog bejaarde ontkomt hier niet aan. De vraag naar ‘het leven als geheel’ veronderstelt een blik op het menselijk leven die we tijdens ons leven niet kunnen hebben. De vraag hoe gelukkig we écht zijn, is vragen naar een illusie, niet naar harde feiten.