Partijtje tennis op een snikheet basketbalveld

Ex-tennissers Richard Krajicek, Jan Siemerink Paul Haarhuis en Jacco Eltingh zijn deze week in Suriname. Hun sport kan daar een impuls gebruiken.

„Letitia, kun jij even naar het voetenwerk van Jantje kijken? Lijkt nergens naar.” „Hé Ries, we slaan toch niet te hard hè, jongen?”

Ook verbaal is tennisduo Paul Haarhuis en Jacco Eltingh moeilijk te verslaan. Collega’s Jan Siemerink en Richard Krajicek lachen wat ongemakkelijk tijdens de korte demonstratiepartij. Misschien ook omdat ze niet gewend zijn op een geasfalteerd basketveldje te spelen. Maar ‘op’ Sophia’s Lust, een verre buitenwijk van Paramaribo, is dat de enige sportgelegenheid.

Hier strijkt voormalig topatlete Letitia Vriesde (tweede op de 800 meter bij het WK van 1995) twee keer per maand neer met haar stichting om de jeugd te laten hardlopen, voetballen en basketballen. Op die manier houdt zij kinderen van de straat die geen geld hebben voor een sportclub. Zodra Vriesde hoorde dat de ex-tennissers hun voormalig coach Stan Franker kwamen opzoeken, nam zij contact op.

Na veertig jaar internationaal toptennis keerde Franker (64), oud-bondscoach van het Nederlandse tennis, in 2005 terug naar zijn geboorteland Suriname. Vanwege zijn werk als directeur van een handelsmaatschappij en zijn gezin heeft hij weinig tijd zelf te tennissen. Laat staan om het Surinaamse tennis te ontwikkelen. Bovendien: plannen maken is leuk, maar in Suriname ontbreekt het vaak aan geld.

Mogelijk kan de gouden tennisgeneratie uit de jaren negentig een impuls geven. Krajicek, Haarhuis, Eltingh en Siemerink geven een week lang clinics, demonstraties en een seminar over de overeenkomsten tussen topsport en bedrijfsvoering. Volgens Franker staat sportsponsoring in Suriname nog in de kinderschoenen. „Veel zakenmensen zien het als charitas en zijn niet op de hoogte van de voordelen om zich te verbinden aan sport op niveau.”

En juist over de commerciële kant van sport kunnen de voormalig toptennissers het lokale bedrijfsleven voorlichten. „Paul en Jacco hebben een eigen evenementenbureau en Richard is niet alleen toernooidirecteur in Rotterdam maar adviseert ook jonge sporters om aan financiële planning te doen”, legt Franker uit.

Franker hoopt met hun steun fondsen te werven voor een stichting die Surinaamse proftennissers begeleidt. Daarnaast denkt hij aan een jaarlijks internationaal toernooi. „De Paramaribo Open, een futuretoernooi waar spelers punten kunnen verzamelen voor de wereldranglijst”, klinkt het enthousiast. „Omdat Suriname enigszins uit de route ligt, moeten we de krachten bundelen met onze twee buurlanden [Guyana en Frans Guyana] zodat we een three Guyana’s circuit krijgen. Verder hanteren we de regel dat spelers die in de eerste ronde van het toernooi worden uitgeschakeld, een training aan lokaal talent moeten geven.”

Deze week legt voormalig Wimbledonkampioen Krajicek de eerste steen van een naar hem vernoemde speelveld, zoals die inmiddels op zeventig locaties in Nederland zijn gerealiseerd. Het wordt een openbare sportaccommodatie waar kinderen in achterstandsbuurten met rackets van de internationale tennisfederatie gratis een balletje kunnen slaan.

In Suriname zijn relatief weinig tennisbanen. Wie wil spelen moet eerst lid worden van een sportclub en materiaal aanschaffen. In een land waar het gemiddelde inkomen rond de 300 euro per maand ligt, is dat voor lang niet iedereen weggelegd. Franker krijgt daarom nogal eens het verwijt dat alleen Nederlanders straks profiteren van zijn initiatieven. „Veel Surinamers uit de hogere klassen hebben een Nederlands paspoort”, reageert hij. „Maar daar gaat het niet om. Als een Surinamer Wimbledon wint, kijken ze vooral naar waar hij vandaan komt.”

Zo ver is het nog lang niet. Op dit moment opereert Suriname volgens Franker in de marge van het internationale tennis. Hij noemt één jeugdspeler die er bovenuit steekt. Maar de voormalig coach heeft hem niet genoeg in actie gezien om een juiste beoordeling te kunnen geven: „Die jongen zit nu in de Verenigde Staten; dat is het beste voor zijn ontwikkeling. Van daaruit trekt hij door het jeugdcircuit in Latijns-Amerika. Maar om echt door te breken zou zo’n talent zich rond zijn vijftiende moeten kwalificeren voor een van jeugdtoernooien van een grand slam. Ik weet niet of hij daar de capaciteiten voor heeft.”

Bijna vergeet de chauffeur dat Haarhuis mee moet met de bus uit Sophia’s Lust. De voormalig toptwintigspeler is nog volop bezig met een potje basketbal met jongens uit de buurt. En het mag dan 37 graden zijn, ook dát moet gewonnen worden.